Chapter, Verse
1 2, 23| 23 Want gelijk zijn grote heerlijkheid
2 3, 4 | wie zijn moeder eert, is gelijk als die schatten vergadert.~
3 3, 17| zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het ijs, zo
4 3, 18| zijn vader verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie
5 4, 11| 11 En gij zult zijn gelijk een zoon des Allerhoogsten,
6 6, 2 | ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts
7 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde steen der beproeving,
8 6, 23| 23 Want de wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en
9 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk u bevolen is,~
10 8, 19| met hem door de woestijn, gelijk als niets is het bloed in
11 9, 12| want de nieuwe is hem niet gelijk.~
12 9, 13| 13 Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als hij zal
13 10, 2 | 2 Gelijk als de rechter des volks
14 10, 2 | zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der stad is,
15 11, 31| 31 Gelijk een gevangen veldhoen in
16 11, 31| hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover
17 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest, zo ook
18 13, 1 | gemeenschap heeft, wordt hem gelijk.~
19 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der leeuwen
20 13, 23| 23 Gelijk de nederigheid is der hovaardigen
21 14, 11| de Here offeranden toe, gelijk behoort.~
22 14, 18| 18 Alle vlees veroudert gelijk een kleed, want het verbond
23 14, 19| 19 Gelijk een groenend blad op een
24 14, 22| worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer
25 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet
26 15, 2 | zij hem tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij als zij
27 16, 13| 13 Gelijk zijn barmhartigheid groot
28 16, 21| wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm wind, welke de
29 17, 15| zijn al hun werken voor hem gelijk als de zon, en zijn ogen
30 17, 17| barmhartigheid tegen de man is gelijk een zegel bij hem, en zal
31 18, 9 | 9 Gelijk een droppel water is te
32 18, 13| onderwijst, en leert, en bekeert gelijk een herder zijn kudde.~
33 18, 23| gelofte doet, en wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~
34 19, 12| 12 Gelijk een pijl, die in de heup
35 19, 19| zeggende tot zijn heer: Gelijk het u behaagt zal ik niet
36 20, 2 | 2 Gelijk de lust van een gesnedene
37 20, 29| verblinden de ogen der wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren
38 21, 2 | 2 Vlied voor de zonde gelijk voor een slang, want indien
39 21, 4 | Alle ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard,
40 21, 9 | andere lieden bouwt, die is gelijk een die voor zichzelf stenen
41 21, 10| vergadering der goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd
42 21, 15| watervloed, en zijn raad gelijk een zuivere fontein des
43 21, 16| binnenste van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal
44 21, 19| vertelling van een dwaas is gelijk een last op de weg, maar
45 21, 21| 21 Gelijk een huis dat vergaan is,
46 21, 24| tucht is de voorzichtige man gelijk een gulden versiersel, en
47 21, 24| een gulden versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.~
48 22, 2 | 2 Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop;
49 22, 6 | Een ontijdig verhaal is gelijk muziek in rouw, maar geselen
50 22, 19| 19 Gelijk een houten band, vast ingebonden
51 22, 20| gedachten gevestigd is, is gelijk een versierd pleisterwerk
52 22, 29| 29 Gelijk de damp des ovens en de
53 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt
54 24, 3 | Allerhoogsten uitgegaan, en gelijk een nevel heb ik de aarde
55 24, 13| cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom op de bergen
56 24, 14| Ik ben verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engedi,
57 24, 14| dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom te Jericho.~
58 24, 15| 15 Gelijk een schone olijfboom in
59 24, 15| olijfboom in een fraai veld, en gelijk de boom Platanus ben ik
60 24, 16| goede reuk van mij gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een
61 24, 16| gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen
62 24, 16| en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen mirre.~
63 24, 17| 17 Gelijk als Galbanum, en Onyx, en
64 24, 17| en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks in
65 24, 18| mijn takken uitgestrekt gelijk een terpentijnboom, en mijn
66 24, 19| 19 Ik heb, gelijk een wijnstok uitspruitende,
67 24, 27| dingen met zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris
68 24, 27| wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der
69 24, 28| Die vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de
70 24, 28| verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van
71 24, 29| kennis doet uitschijnen gelijk een licht, en gelijk de
72 24, 29| uitschijnen gelijk een licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer
73 24, 32| 32 Ik, de Wijsheid, ben gelijk een gedolven gracht van
74 24, 33| 33 En gelijk een waterloop ben ik uitgegaan
75 24, 37| Want ik giet lering uit gelijk een profetie, en laat ze,
76 25, 21| aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~
77 25, 24| 24 Gelijk een zandachtige opgang voor
78 26, 8 | 8 Een boze vrouw is gelijk een juk ossen dat ginds
79 26, 8 | wordt; wie ze neemt, is gelijk degene, die een schorpioen
80 26, 13| 13 Gelijk een reizende man dorstende,
81 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste
82 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige
83 26, 19| 19 Gelijk gouden pilaren op zilveren
84 26, 23| neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man
85 26, 29| ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven in de
86 27, 2 | 2 Gelijk een nagel tussen de voegen
87 27, 6 | 6 Gelijk de vrucht van de boom doet
88 27, 11| maar de dwaas verandert gelijk de maan.~
89 27, 20| 20 En gelijk alsof gij een vogel uit
90 27, 21| weg, en is het ontvloden gelijk een ree uit de strik.~
91 27, 29| en de wraak loert op hen gelijk een leeuw.~
92 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~
93 28, 27| worden als een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze
94 29, 21| waren, en heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.~
95 30, 4 | zich gelaten een die hem gelijk is.~
96 30, 18| bij een gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten bij een graf
97 30, 20| Hij ziet de ogen, en zucht gelijk een gesnedene, die een maagd
98 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet
99 31, 30| 30 De wijn is de mensen gelijk het leven; indien gij deze
100 32, 6 | muzikanten in een wijngelag is gelijk een zegel van een karbonkel
101 32, 9 | weinig woorden veel; wees gelijk als een die verstaat en
102 32, 10| groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude lieden zijn,
103 33, 2 | daarin geveinsd is, die is gelijk als een schip in een storm
104 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid
105 33, 5 | binnenste van de zot is gelijk het rad aan een wagen, en
106 33, 5 | en zijn overlegging is gelijk een as die omloopt.~
107 33, 6 | die een bespotter is, is gelijk een springhengst, hij briest
108 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk het leem eens pottenbakkers,
109 33, 15| 15 Gelijk het goede staat tegen het
110 33, 16| ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de wijnlezers
111 33, 16| en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.~
112 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~
113 33, 30| huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door
114 33, 30| huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder, want hij is
115 33, 30| een broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
116 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw
117 34, 5 | hart inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die
118 35, 2 | een weldaad vergeldt, is gelijk die meelbloem offert, en
119 35, 23| der verdrukking; zij is gelijk de wolken in de tijd der
120 36, 4 | 4 Gelijk gij voor hun ogen geheiligd
121 36, 13| stel hen in hun erfdeel, gelijk van het begin.~
122 36, 25| genezing, zo is haar man niet gelijk andere mensenkinderen.~
123 36, 26| een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij
124 37, 13| Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien gij zoudt
125 38, 28| timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~
126 39, 16| heb, want ik ben vervuld gelijk de volle maan.~
127 39, 17| hoort mij, en spruit uit gelijk een roos, die geplant is
128 39, 18| En brengt een bloem voort gelijk een lelie; geeft een reuk
129 39, 21| zijn woord stond het water gelijk een hoop, en door het woord
130 39, 26| Zijn zegen bedekt de aarde gelijk een rivier, en gelijk een
131 39, 26| aarde gelijk een rivier, en gelijk een watervloed het droge
132 39, 27| erven de volken zijn toorn, gelijk hij de wateren in pekel
133 39, 31| 31 Alle deze gelijk ze de godvrezende goede
134 40, 6 | 6 Hij heeft weinig, en gelijk als geen rust, en daarna
135 40, 6 | rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der schildwacht.~
136 40, 7 | het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden
137 40, 12| een stroom uitdrogen, en gelijk een grote donder met regen
138 40, 13| rechtvaardige verheugd; gelijk degenen die overtreden,
139 40, 16| 16 Weldadigheid is gelijk een lusthof met zegeningen,
140 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk een gezegende lusthof, en
141 41, 13| weder in de aarde keren; gelijk gaan de goddelozen naar
142 43, 15| en de wolken vliegen uit, gelijk de vogelen.~
143 43, 19| Hij verspreidt de sneeuw gelijk vogelen, die nederwaarts
144 43, 19| vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, die zich
145 43, 21| giet de rijm op de aarde gelijk zout, welke bevroren zijnde
146 43, 21| welke bevroren zijnde wordt gelijk de punten der palen.~
147 43, 22| neder, en trekt het water gelijk als een pantser aan.~
148 43, 23| blust het groene gras uit, gelijk het vuur.~
149 43, 34| wie zal hem groot maken gelijk hij is?~
150 44, 10| is, en die vergaan zijn gelijk of zij niet geweest waren;
151 44, 20| is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, welke
152 44, 23| hem zou vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat
153 45, 2 | der heiligen heerlijkheid gelijk gemaakt, en heeft hem door
154 45, 7 | verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk ware.~
155 45, 31| 31 En gelijk, volgens het verbond opgericht
156 47, 2 | 2 Gelijk het vette is afgezonderd
157 47, 3 | Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes, en onder
158 47, 3 | geitebokjes, en onder beren, gelijk onder lammeren.~
159 47, 15| en is beroemd geworden, gelijk God rondom hem rust gegeven
160 47, 16| werd vervuld met verstand gelijk een stroom.~
161 47, 20| bracht gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet
162 47, 20| goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij,
163 48, 1 | stond Elia de profeet op gelijk een vuur, en zijn woord
164 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
165 48, 21| bewogen, en kregen weedom gelijk de barende vrouwen.~
166 48, 25| wegen van David, zijn vader, gelijk Jesaja die grote en eerwaardige
167 49, 13| verheffen! want hij was gelijk een zegelring aan de rechterhand.~
168 50, 3 | gemaakt een metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal
169 50, 6 | 6 Gij waart gelijk de morgenster in het midden
170 50, 6 | in het midden der wolken, gelijk de maan als zij vol is op
171 50, 6 | vol is op haar tijd, en gelijk de regen boog de heerlijke
172 50, 7 | 7 Gelijk de zon uitschijnende op
173 50, 7 | tempel des Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de
174 50, 7 | tijd der nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong
175 50, 7 | oorsprong van het water; gelijk een spruit van Libanon in
176 50, 8 | 8 Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
177 50, 9 | 9 Gelijk een gouden vat, dat met
178 50, 10| 10 Gelijk een schone olijfboom, die
179 50, 10| vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom, die verhoogd
180 50, 13| menigte zijner broeders, gelijk spruiten van cederbomen
181 50, 13| Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen;
182 50, 24| in onze dagen in Israël, gelijk het in de dagen der vorige
183 51, 19| in haar verheugd geweest, gelijk over een druif die na het
|