Chapter, Verse
1 1, 1 | ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen,
3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan
4 1, 13| begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de
5 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen
6 1, 18| kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort spruiten
7 1, 20| wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn
8 1, 26| bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
9 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen
10 2, 1 | kind, indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid uw
11 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft hem, en
12 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het goede
13 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid
14 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd
15 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en barmhartige,
16 2, 17| zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~
17 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn woorden
18 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat zij hem
19 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden hun harten,
20 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt
21 3, 6 | zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn
22 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren,
23 3, 18| die is vervloekt van de Here.~
24 3, 20| meer, en gij zult bij de Here genade vinden.~
25 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt,
26 4, 14| waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~
27 4, 15| haar liefhebben, heeft de Here lief.~
28 4, 33| tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~
29 5, 3 | vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~
30 5, 4 | is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u
31 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het
32 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.~
33 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich recht
34 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij, en van
35 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs
36 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd
37 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~
38 10, 13| wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt
39 10, 15| 15 Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen
40 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der regeerders
41 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der hovaardige
42 10, 18| landen der volken keert de Here om, en verderft ze tot op
43 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een gewis zaad,
44 10, 23| hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd voor
45 10, 27| hunner is meerder dan die de Here vreest.~
46 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~
47 11, 15| kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der goede
48 11, 21| zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~
49 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de dag des doods
50 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, en
51 13, 20| zondaar tegen degene, die de Here vreest.~
52 14, 2 | zijn hoop, die hij op de Here heeft.~
53 14, 11| gij vermoogt, en breng de Here offeranden toe, gelijk behoort.~
54 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen en
55 15, 9 | wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~
56 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~
57 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen
58 15, 13| 13 De Here haat allerlei gruwel, en
59 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd duizend mannen
60 16, 12| hem; hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt,
61 16, 15| vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, dat
62 16, 16| niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, en wie zal aan
63 16, 19| elkander door beving, als de Here daarop ziet.~
64 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft
65 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde
66 17, 16| hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren,
67 17, 16| zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en
68 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; smeek
69 17, 24| gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
70 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig,
71 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over hen, en
72 18, 23| wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~
73 18, 24| de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal afkeren.~
74 18, 26| dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd,
75 18, 29| Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart
76 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid,
77 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~
78 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here een
79 20, 31| de Here zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van
80 21, 7 | van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich
81 23, 1 | 1 O Here, Vader en Heerser des gansen
82 23, 2 | in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet
83 23, 4 | 4 O Here, Vader en God mijns levens,
84 23, 25| ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder
85 24, 26| niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make;
86 24, 26| kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is
87 25, 1 | schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~
88 25, 1 | voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~
89 25, 13| niet boven degene, die de Here vreest.~
90 26, 3 | gegeven degenen, die de Here vrezen.~
91 26, 4 | zo'n man is goed tot de Here. hetzij dat hij rijk of
92 26, 24| wordt gegeven hem, die de Here vreest.~
93 26, 26| die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~
94 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~
95 27, 25| vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~
96 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en hij zal
97 28, 3 | andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~
98 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen in haar
99 30, 19| gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~
100 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing
101 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden dat
102 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op het
103 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten,
104 33, 11| 11 Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap
105 34, 13| De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~
106 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen ding
107 34, 16| de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij,
108 34, 26| vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~
109 35, 8 | 8 Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder
110 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en hij
111 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en bij hem
112 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen
113 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige
114 36, 1 | 1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller dingen, en
115 36, 5 | geen God behalve gij, o Here.~
116 36, 14| Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd
117 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten,
118 36, 19| zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.~
119 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade niet gegeven,
120 38, 1 | toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~
121 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen uit
122 38, 9 | verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~
123 38, 11| 11 Geef de Here een welriekende reuk, en
124 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen, en
125 38, 14| Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust
126 39, 6 | begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg te komen tot degene
127 39, 8 | 8 Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest
128 39, 9 | zijn gebed dankt hij de Here.~
129 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken met
130 41, 5 | oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~
131 42, 20| 20 De Here heeft zijn heiligen niet
132 42, 21| 21 De Here, de Almachtige heeft de
133 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt
134 43, 31| 31 Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en zijn
135 43, 32| 32 Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij
136 43, 36| 36 Want de Here heeft alle dingen gemaakt,
137 44, 2 | 2 De Here heeft door hen voor zijn
138 44, 17| 17 Henoch behaagde God de Here, en werd weggenomen, om
139 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here het verbond opgericht, en
140 45, 20| hij hem uitverkoren, om de Here offeranden toe te brengen;
141 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen behagen
142 45, 30| 30 Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht
143 46, 6 | onderdrukte, en de grote Here verhoorde hem, en hielp
144 46, 8 | namelijk zijn oorlog voor de Here was, want ook volgde hij
145 46, 11| 11 De Here gaf Kaleb sterkte, die hem
146 46, 12| zien, dat het goed is de Here na te volgen.~
147 46, 13| niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is ook
148 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet des
149 46, 16| de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.~
150 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, aan, als hem
151 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel; en
152 46, 21| ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende:
153 47, 6 | hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn
154 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden weggenomen,
155 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid
156 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de ontfermer, aan, en breidden
157 48, 25| Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield vast
158 48, 26| zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning het
159 49, 4 | richtte zijn hart tot de Here; in de dagen der onrecht
160 49, 10| gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der
161 49, 14| tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot een eeuwige
162 49, 18| gebeenten zijn bezocht door de Here.~
163 50, 18| aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige en Allerhoogste
164 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte
165 50, 30| 30 Geprezen zij de Here in der eeuwigheid. Dat geschiede,
166 51, 1 | Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen,
167 51, 10| ik aan uw barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle
168 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader mijns Heren aan,
169 51, 16| Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal
170 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong gegeven
|