Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
henoch 2
herberg 6
herder 1
here 170
heren 74
herhaal 1
hermon 1
Frequency    [«  »]
183 gelijk
172 tot
170 dat
170 here
165 zo
162 op
160 zij

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

here

    Chapter, Verse
1 1, 1 | ALLE wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~ 2 1, 8 | 8 De Here zelf heeft haar geschapen, 3 1, 12| 12 Die de Here vreest die zal het welgaan 4 1, 13| begin der wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de 5 1, 15| verzadiging der wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen 6 1, 18| kroon der wijsheid is de Here vrezen, doende voort spruiten 7 1, 20| wortel der wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn 8 1, 26| bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~ 9 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen 10 2, 1 | kind, indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid uw 11 2, 7 | 7 Gij die de Here vreest, gelooft hem, en 12 2, 8 | 8 Gij die de Here vreest, hoopt het goede 13 2, 9 | 9 Gij die de Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid 14 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd 15 2, 13| 13 Want de Here is een ontfermer en barmhartige, 16 2, 17| zult gij doen, als u de Here bezoeken zal?~ 17 2, 18| 18 Die de Here vrezen, zullen zijn woorden 18 2, 19| 19 Die de Here vrezen, zoeken dat zij hem 19 2, 21| 21 Die de Here vrezen, bereiden hun harten, 20 3, 2 | 2 Want de Here heeft de vader verheerlijkt 21 3, 6 | zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal zijn 22 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn vader eren, 23 3, 18| die is vervloekt van de Here.~ 24 3, 20| meer, en gij zult bij de Here genade vinden.~ 25 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden vergeldt, 26 4, 14| waar zij ingaat, die zal de Here zegenen.~ 27 4, 15| haar liefhebben, heeft de Here lief.~ 28 4, 33| tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~ 29 5, 3 | vanwege mijn werken? want de Here zal zeker uw moedwil wreken.~ 30 5, 4 | is mij geschied? want de Here is lankmoedig, hij zal u 31 5, 8 | 8 Verbeid niet u tot de Here te bekeren, en stel het 32 6, 16| medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen hem vinden.~ 33 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich recht 34 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij, en van 35 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs 36 7, 29| 29 Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd 37 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~ 38 10, 13| wanneer een mens van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt 39 10, 15| 15 Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen 40 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der regeerders 41 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der hovaardige 42 10, 18| landen der volken keert de Here om, en verderft ze tot op 43 10, 22| 22 Die de Here vrezen zijn een gewis zaad, 44 10, 23| hun leidsman is, en die de Here vrezen worden geëerd voor 45 10, 27| hunner is meerder dan die de Here vreest.~ 46 11, 14| armoede en rijkdom zijn van de Here.~ 47 11, 15| kennis der wet is van de Here; liefde en wegen der goede 48 11, 21| zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~ 49 11, 27| 27 Want het is voor de Here licht, in de dag des doods 50 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, en 51 13, 20| zondaar tegen degene, die de Here vreest.~ 52 14, 2 | zijn hoop, die hij op de Here heeft.~ 53 14, 11| gij vermoogt, en breng de Here offeranden toe, gelijk behoort.~ 54 15, 1 | 1 DIE de Here vreest zal zulks doen en 55 15, 9 | wel, omdat hij hem van de Here niet is gezonden.~ 56 15, 10| gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig maken.~ 57 15, 11| 11 Zeg niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen 58 15, 13| 13 De Here haat allerlei gruwel, en 59 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd duizend mannen 60 16, 12| hem; hij is een machtig Here, die haastig verzoend wordt, 61 16, 15| vinden naar zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, dat 62 16, 16| niet: Ik zal mij voor de Here verbergen, en wie zal aan 63 16, 19| elkander door beving, als de Here daarop ziet.~ 64 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft 65 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde 66 17, 16| hun zonden zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, 67 17, 16| zijn voor de Here, doch de Here zijnde goedertieren, en 68 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat de zonden; smeek 69 17, 24| gezond van hart is, zal de Here prijzen.~ 70 18, 2 | 2 De Here is alleen rechtvaardig, 71 18, 10| 10 Daarom is de Here lankmoedig over hen, en 72 18, 23| wees niet gelijk een die de Here verzoekt.~ 73 18, 24| de tijd der wraak, als de Here zijn aangezicht zal afkeren.~ 74 18, 26| dingen zijn haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, 75 18, 29| Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het dode hart 76 19, 19| 19 De vreze van de Here komende, is de gehele wijsheid, 77 20, 15| wedereisen; de zodanige is van de Here en van de mensen gehaat.~ 78 20, 31| verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, dan zonder Here een 79 20, 31| de Here zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van 80 21, 7 | van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert zich 81 23, 1 | 1 O Here, Vader en Heerser des gansen 82 23, 2 | in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet 83 23, 4 | 4 O Here, Vader en God mijns levens, 84 23, 25| ogen van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder 85 24, 26| niet, maar zijt sterk in de Here, opdat hij u krachtig make; 86 24, 26| kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen God, en daar is 87 25, 1 | schoon, en sta schoon voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~ 88 25, 1 | voor de Here, ja voor de Here en de mensen.~ 89 25, 13| niet boven degene, die de Here vreest.~ 90 26, 3 | gegeven degenen, die de Here vrezen.~ 91 26, 4 | zo'n man is goed tot de Here. hetzij dat hij rijk of 92 26, 24| wordt gegeven hem, die de Here vreest.~ 93 26, 26| die schaamte heeft, zal de Here vrezen.~ 94 26, 32| wederkeert tot zonde; de Here zal hem tot het zwaard bereiden.~ 95 27, 25| vergelijk niemand bij hem, en de Here zal hem haten.~ 96 28, 1 | zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak vinden, en hij zal 97 28, 3 | andere mens toorn, en bij de Here zoekt hij genezing.~ 98 28, 26| 26 Die de Here verlaten, zullen in haar 99 30, 19| gaat het hem die door de Here vervolgd wordt.~ 100 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal zijn onderwijzing 101 32, 17| 17 Die de Here vrezen, zullen vinden dat 102 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let op het 103 33, 1 | 1 HEM die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, 104 33, 11| 11 Evenwel heeft hen de Here door zijn grote wetenschap 105 34, 13| De geest dergenen, die de Here vrezen, zal leven.~ 106 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal geen ding 107 34, 16| de ziel desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, 108 34, 26| vloekt, wiens stem zal de Here verhoren?~ 109 35, 8 | 8 Verheerlijk de Here met een goed oog, en verminder 110 35, 11| 11 Want de Here is een vergelden, en hij 111 35, 13| 13 Want de Here is een rechter, en bij hem 112 35, 14| 14 De Here zal het aangezicht desgenen 113 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige 114 36, 1 | 1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller dingen, en 115 36, 5 | geen God behalve gij, o Here.~ 116 36, 14| Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd 117 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, 118 36, 19| zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen zijt.~ 119 37, 22| 22 Want hem is door de Here die genade niet gegeven, 120 38, 1 | toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.~ 121 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen uit 122 38, 9 | verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.~ 123 38, 11| 11 Geef de Here een welriekende reuk, en 124 38, 12| 12 Want de Here heeft hem geschapen, en 125 38, 14| Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust 126 39, 6 | begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg te komen tot degene 127 39, 8 | 8 Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest 128 39, 9 | zijn gebed dankt hij de Here.~ 129 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken met 130 41, 5 | oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~ 131 42, 20| 20 De Here heeft zijn heiligen niet 132 42, 21| 21 De Here, de Almachtige heeft de 133 43, 5 | 5 De Here is groot, die ze gemaakt 134 43, 31| 31 Verschrikkelijk is de Here, en zeer groot, en zijn 135 43, 32| 32 Verheerlijkt de Here en verhoogt hem zoveel gij 136 43, 36| 36 Want de Here heeft alle dingen gemaakt, 137 44, 2 | 2 De Here heeft door hen voor zijn 138 44, 17| 17 Henoch behaagde God de Here, en werd weggenomen, om 139 44, 21| 21 In zijn vlees heeft de Here het verbond opgericht, en 140 45, 20| hij hem uitverkoren, om de Here offeranden toe te brengen; 141 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had geen behagen 142 45, 30| 30 Daarom heeft de Here met hem en zijn volk opgericht 143 46, 6 | onderdrukte, en de grote Here verhoorde hem, en hielp 144 46, 8 | namelijk zijn oorlog voor de Here was, want ook volgde hij 145 46, 11| 11 De Here gaf Kaleb sterkte, die hem 146 46, 12| zien, dat het goed is de Here na te volgen.~ 147 46, 13| niet zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is ook 148 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde een profeet des 149 46, 16| de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.~ 150 46, 18| 18 En hij riep de Here, de machtige, aan, als hem 151 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel; en 152 46, 21| ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: 153 47, 6 | hij riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn 154 47, 13| 13 De Here heeft zijn zonden weggenomen, 155 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid 156 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de ontfermer, aan, en breidden 157 48, 25| Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield vast 158 48, 26| zon achterwaarts, en de Here verlengde de koning het 159 49, 4 | richtte zijn hart tot de Here; in de dagen der onrecht 160 49, 10| gezicht zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der 161 49, 14| tempel opgericht, welke de Here werd toebereid tot een eeuwige 162 49, 18| gebeenten zijn bezocht door de Here.~ 163 50, 18| aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige en Allerhoogste 164 50, 20| 20 En het volk van de Here, des Allerhoogsten, smeekte 165 50, 30| 30 Geprezen zij de Here in der eeuwigheid. Dat geschiede, 166 51, 1 | Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, 167 51, 10| ik aan uw barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle 168 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader mijns Heren aan, 169 51, 16| Daarom zal ik u belijden, Here, en zal u prijzen, en zal 170 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong gegeven


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License