Chapter, Verse
1 2, 19| Die de Here vrezen, zoeken dat zij hem behagen mogen.~
2 3, 14| verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met
3 3, 14| wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.~
4 3, 23| Wat u bevolen is, overleg dat heilig.~
5 5, 5 | wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt
6 6, 4 | haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd
7 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven,
8 6, 17| zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn
9 7, 6 | ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd
10 7, 16| menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~
11 7, 28| 28 Gedenk dat gij door hen voortgebracht
12 8, 1 | STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet misschien in zijn
13 8, 6 | van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn.~
14 8, 8 | grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen.~
15 9, 2 | Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~
16 9, 4 | met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd
17 9, 5 | een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd
18 9, 11| gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel
19 9, 15| Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel
20 9, 15| wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet,
21 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken
22 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme onteert die
23 10, 26| is, en het betaamt niet dat men een zondaar eert.~
24 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt, en in alles
25 10, 30| alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan
26 11, 13| het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen
27 11, 28| 28 Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet,
28 11, 34| hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd
29 12, 5 | overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.~
30 12, 11| en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde
31 12, 12| niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd
32 13, 9 | 9 Wacht u dat gij niet verleid wordt door
33 13, 31| is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding
34 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner
35 14, 11| kind, doe uzelf goed naar dat gij vermoogt, en breng de
36 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet zal vertoeven,
37 14, 20| 20 Alle werk, dat verrotting onderworpen is,
38 15, 11| niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want
39 15, 17| hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~
40 16, 11| volk, het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~
41 16, 15| Here heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat
42 16, 26| werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft
43 17, 4 | op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de
44 17, 9 | opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.~
45 18, 11| gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft
46 18, 29| dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.~
47 19, 13| zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd
48 19, 14| zo hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male
49 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft is geworden,
50 21, 10| goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en
51 21, 17| woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~
52 21, 21| 21 Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid
53 22, 20| 20 Een hart dat op verstandige gedachten
54 23, 17| 17 Dat gij niet te eniger tijd
55 23, 17| verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest,
56 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste
57 23, 34| nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de
58 23, 34| Heren, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de
59 23, 35| volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~
60 24, 12| in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~
61 24, 38| 38 Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen
62 25, 6 | Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten om te
63 25, 6 | zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben
64 25, 21| verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~
65 25, 26| indien zij haar man toereikt dat hij van node heeft.~
66 26, 4 | goed tot de Here. hetzij dat hij rijk of arm is, altijd
67 26, 8 | is gelijk een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt;
68 26, 13| vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo zal
69 26, 16| geen ding van zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~
70 26, 27| van allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid goddeloos
71 27, 14| staan, en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~
72 27, 24| anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~
73 27, 28| kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en
74 28, 2 | Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer
75 28, 30| 30 Neemt acht dat gij niet enigszins daarin
76 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden
77 29, 10| van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten
78 29, 13| broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot
79 29, 24| vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.~
80 29, 25| en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel
81 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik
82 31, 14| 14 Gedenk dat een nijdig oog een kwaad
83 31, 15| weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.~
84 32, 4 | gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige
85 32, 17| Here vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden
86 32, 23| alle goede werken, want ook dat is een onderhouding der
87 33, 14| die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn
88 33, 17| 17 Merkt dat ik niet voor mij alleen
89 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan
90 33, 21| de kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer
91 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen
92 33, 30| Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel,
93 34, 3 | de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van
94 34, 11| en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft.~
95 34, 28| is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?~ ~
96 35, 3 | is des Heren welbehagen dat men afsta van boosheid,
97 36, 4 | geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt
98 36, 5 | 5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs
99 36, 10| 10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk
100 36, 14| Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is;
101 36, 14| genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd
102 36, 18| die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.~
103 36, 19| aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen
104 37, 13| godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren
105 38, 13| Daar is mischien een tijd, dat er in hun handen een goede
106 38, 14| zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing
107 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen
108 38, 40| der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken
109 39, 12| zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist
110 39, 30| 30 Het voornaamste dat tot het leven des mensen
111 39, 39| zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen
112 40, 1 | van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam
113 40, 1 | gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder
114 40, 7 | behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~
115 40, 21| verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is,
116 41, 20| 20 Dat men zich dan ontzie voor,
117 41, 25| van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt
118 41, 28| gegeven hebt verwijt hem dat niet.~
119 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw let op de waag
120 42, 4 | waag en het gewicht; noch dat gij veel of weinig bezit;~
121 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk
122 42, 5 | verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen wel tuchtigt;~
123 42, 6 | 6 Noch dat gij een boze huisknecht
124 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een onverstandige en
125 42, 12| in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude,
126 42, 12| veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat
127 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd,
128 42, 13| worde, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede,
129 42, 14| over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make
130 42, 14| zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk
131 42, 14| vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke
132 42, 21| gehele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door
133 43, 6 | heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd,
134 43, 7 | feest, zij is een licht dat geheel afneemt.~
135 43, 10| schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte, een
136 44, 22| hem met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen
137 44, 23| gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten
138 45, 7 | Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk
139 45, 11| en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel,
140 45, 11| horen kon in de tempel, en dat tot een gedachtenis mocht
141 45, 30| een. verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander
142 45, 30| voorstander der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote
143 46, 8 | wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor
144 46, 9 | het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en
145 46, 10| het erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.~
146 46, 11| bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste
147 46, 11| land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden.~
148 46, 12| kinderen Israëls zouden zien, dat het goed is de Here na te
149 46, 14| 14 Dat hun gebeente wederom spruit
150 46, 19| van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door
151 46, 22| aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks
152 47, 6 | zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die
153 47, 22| kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden
154 47, 28| 28 Dat zij afvallig werden van
155 48, 2 | door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.~
156 48, 8 | die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden,
157 50, 4 | droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.~
158 50, 9 | 9 Gelijk een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen,
159 50, 17| weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot
160 50, 24| 24 En bidt dat het vrede worde in onze
161 50, 24| vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze
162 50, 26| wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.~
163 50, 30| Here in der eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!~ ~
164 50, 30| eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!~ ~
165 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en
166 51, 6 | uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;~
167 51, 11| 11 Dat gij degenen die lijdzaam
168 51, 13| de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten
169 51, 17| Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid
170 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb,
|