Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dapper 1
darmen 1
dartelheid 1
dat 170
dathan 1
dauw 2
david 7
Frequency    [«  »]
186 haar
183 gelijk
172 tot
170 dat
170 here
165 zo
162 op

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

dat

    Chapter, Verse
1 2, 19| Die de Here vrezen, zoeken dat zij hem behagen mogen.~ 2 3, 14| verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wacht u met 3 3, 14| wacht u met al uw vermogen dat gij hem niet onteert.~ 4 3, 23| Wat u bevolen is, overleg dat heilig.~ 5 5, 5 | wanneer gij de volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt 6 6, 4 | haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd 7 6, 6 | 6 Maak dat velen met u in vrede leven, 8 6, 17| zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn 9 7, 6 | ongerechtigheden weg te nemen; dat gij niet te eniger tijd 10 7, 16| menigte der zondaren; gedenk dat de toorn niet vertoeft.~ 11 7, 28| 28 Gedenk dat gij door hen voortgebracht 12 8, 1 | STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet misschien in zijn 13 8, 6 | van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn.~ 14 8, 8 | grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen.~ 15 9, 2 | Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~ 16 9, 4 | met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd 17 9, 5 | een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd 18 9, 11| gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel 19 9, 15| Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel 20 9, 15| wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet, 21 9, 18| 18 Weet, dat gij in het midden der strikken 22 10, 26| 26 Het is niet recht dat men een arme onteert die 23 10, 26| is, en het betaamt niet dat men een zondaar eert.~ 24 10, 30| 30 Want het is beter dat iemand werkt, en in alles 25 10, 30| alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan 26 11, 13| het verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen 27 11, 28| 28 Een kwaad uur maakt dat men de wellust vergeet, 28 11, 34| hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd 29 12, 5 | overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan zult hebben.~ 30 12, 11| en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het einde 31 12, 12| niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd 32 13, 9 | 9 Wacht u dat gij niet verleid wordt door 33 13, 31| is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding 34 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner 35 14, 11| kind, doe uzelf goed naar dat gij vermoogt, en breng de 36 14, 12| 12 Gedenk dat de dood niet zal vertoeven, 37 14, 20| 20 Alle werk, dat verrotting onderworpen is, 38 15, 11| niet: De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want 39 15, 17| hetgeen hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden.~ 40 16, 11| volk, het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~ 41 16, 15| Here heeft Faraö verhard, dat hij hem niet kende, opdat 42 16, 26| werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft 43 17, 4 | op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de 44 17, 9 | opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.~ 45 18, 11| gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft 46 18, 29| dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.~ 47 19, 13| zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd 48 19, 14| zo hij het gezegd heeft, dat hij het ten tweeden male 49 20, 7 | 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, 50 21, 10| goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en 51 21, 17| woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe.~ 52 21, 21| 21 Gelijk een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid 53 22, 20| 20 Een hart dat op verstandige gedachten 54 23, 17| 17 Dat gij niet te eniger tijd 55 23, 17| verwelkt, en gij zoudt willen dat gij niet geboren waart geweest, 56 23, 25| 25 En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste 57 23, 34| nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de 58 23, 34| Heren, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de 59 23, 35| volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen wordt.~ ~ 60 24, 12| in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~ 61 24, 38| 38 Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen 62 25, 6 | Wat een schone zaak is het dat grijze haren zitten om te 63 25, 6 | zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben 64 25, 21| verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~ 65 25, 26| indien zij haar man toereikt dat hij van node heeft.~ 66 26, 4 | goed tot de Here. hetzij dat hij rijk of arm is, altijd 67 26, 8 | is gelijk een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt; 68 26, 13| vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo zal 69 26, 16| geen ding van zulk gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~ 70 26, 27| van allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid goddeloos 71 27, 14| staan, en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~ 72 27, 24| anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is.~ 73 27, 28| kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en 74 28, 2 | Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer 75 28, 30| 30 Neemt acht dat gij niet enigszins daarin 76 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden 77 29, 10| van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten 78 29, 13| broeders wil, en verberg dat niet onder een steen tot 79 29, 24| vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.~ 80 29, 25| en een kleed, en een huis dat bedekt hetgeen niet wel 81 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik 82 31, 14| 14 Gedenk dat een nijdig oog een kwaad 83 31, 15| weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.~ 84 32, 4 | gij die oud zijt, want dat betaamt u, doch met ernstige 85 32, 17| Here vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden 86 32, 23| alle goede werken, want ook dat is een onderhouding der 87 33, 14| die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn 88 33, 17| 17 Merkt dat ik niet voor mij alleen 89 33, 21| 21 Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan 90 33, 21| de kinderen u smeken, dan dat gij naar de handen uwer 91 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen 92 33, 30| Hebt gij een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, 93 34, 3 | de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van 94 34, 11| en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft.~ 95 34, 28| is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft?~ ~ 96 35, 3 | is des Heren welbehagen dat men afsta van boosheid, 97 36, 4 | geheiligd zijt geweest in ons, dat gij ook voor ons groot gemaakt 98 36, 5 | 5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs 99 36, 10| 10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk 100 36, 14| Ontferm u over uw volk, Here, dat naar uw naam genoemd is; 101 36, 14| genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene genoemd 102 36, 18| die u verwachten, en maak dat uw profeten geloofd worden.~ 103 36, 19| aarde wonen zullen bekennen dat gij een Here der eeuwen 104 37, 13| godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden des Heren 105 38, 13| Daar is mischien een tijd, dat er in hun handen een goede 106 38, 14| zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing 107 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen 108 38, 40| der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken 109 39, 12| zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist 110 39, 30| 30 Het voornaamste dat tot het leven des mensen 111 39, 39| zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen 112 40, 1 | van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam 113 40, 1 | gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder 114 40, 7 | behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~ 115 40, 21| verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam en schoon is, 116 41, 20| 20 Dat men zich dan ontzie voor, 117 41, 25| van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht afwendt 118 41, 28| gegeven hebt verwijt hem dat niet.~ 119 42, 4 | 4 En schaam u niet, dat gij nauw let op de waag 120 42, 4 | waag en het gewicht; noch dat gij veel of weinig bezit;~ 121 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk 122 42, 5 | verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen wel tuchtigt;~ 123 42, 6 | 6 Noch dat gij een boze huisknecht 124 42, 9 | 9 En schaam u niet dat gij een onverstandige en 125 42, 12| in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, 126 42, 12| veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat 127 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, 128 42, 13| worde, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, 129 42, 14| over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make 130 42, 14| zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk 131 42, 14| vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke 132 42, 21| gehele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door 133 43, 6 | heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, 134 43, 7 | feest, zij is een licht dat geheel afneemt.~ 135 43, 10| schoonheid des hemels is dat heerlijk gesternte, een 136 44, 22| hem met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen 137 44, 23| gelijk het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten 138 45, 7 | Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk 139 45, 11| en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, 140 45, 11| horen kon in de tempel, en dat tot een gedachtenis mocht 141 45, 30| een. verbond des vredes, dat hij zou zijn een voorstander 142 45, 30| voorstander der heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote 143 46, 8 | wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor 144 46, 9 | het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en 145 46, 10| het erfdeel, in het land dat van melk en honig vloeit.~ 146 46, 11| bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste 147 46, 11| land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden.~ 148 46, 12| kinderen Israëls zouden zien, dat het goed is de Here na te 149 46, 14| 14 Dat hun gebeente wederom spruit 150 46, 19| van de hemel; en maakte dat zijn stem gehoord werd door 151 46, 22| aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid des volks 152 47, 6 | zijn rechterhand kracht dat hij weg nam een mens, die 153 47, 22| kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden 154 47, 28| 28 Dat zij afvallig werden van 155 48, 2 | door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig werd.~ 156 48, 8 | die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, 157 50, 4 | droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel.~ 158 50, 9 | 9 Gelijk een gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen, 159 50, 17| weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot 160 50, 24| 24 En bidt dat het vrede worde in onze 161 50, 24| vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze 162 50, 26| wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont.~ 163 50, 30| Here in der eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!~ ~ 164 50, 30| eeuwigheid. Dat geschiede, dat geschiede!~ ~ 165 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en 166 51, 6 | uit het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;~ 167 51, 11| 11 Dat gij degenen die lijdzaam 168 51, 13| de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten 169 51, 17| Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid 170 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License