Chapter, Verse
1 1, 26| Hebt gij lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en de
2 1, 28| Als gij behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren
3 2, 1 | komt om de Here te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting.~
4 2, 23| zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid.~ ~ ~ ~
5 3, 14| hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede,
6 3, 17| gelijk schoon weder het ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~
7 3, 26| u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.~
8 3, 29| hovaardigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn
9 4, 17| Indien hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en
10 4, 22| Indien hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en
11 5, 11| ga niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig
12 5, 12| in uw mening zeker zijt, zo blijf vast daarbij, en uw
13 5, 14| Indien gij verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en
14 5, 14| naasten; en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~
15 6, 1 | schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die
16 6, 7 | 7 Zo gij een vriend wilt verkrijgen,
17 6, 7 | vriend wilt verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking
18 6, 12| Indien gij vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en
19 6, 17| vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten
20 6, 28| haar machtig geworden zijt, zo laat haar niet van u.~
21 6, 33| zult willen, mijn kind, zo zult gij onderwezen worden,
22 6, 33| uw ziel daartoe begeeft, zo zult gij geheel kloek worden.~
23 6, 34| zult hebben om te horen, zo zult gij verstand krijgen,
24 6, 34| gij uw oor zult neigen, zo zult gij wijs worden.~
25 6, 36| een verstandig man ziet, zo maak u des morgens vroeg
26 6, 37| altijd in zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken,
27 7, 3 | voren der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig
28 7, 9 | God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~
29 7, 22| 22 Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo
30 7, 22| zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij
31 8, 15| wat geleend zult hebben, zo zijt als een die het verloren
32 9, 17| indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij
33 10, 2 | de rechter des volks is, zo zijn ook zijn dienaars;
34 10, 2 | voorganger der stad is, zo zijn allen die deze bewonen.~
35 10, 12| wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en
36 11, 10| en indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken;
37 12, 1 | 1 INDIEN gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet,
38 12, 10| gelijk het koper verroest, zo ook zijn boosheid.~
39 12, 13| de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich
40 12, 14| indien gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~
41 12, 16| gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen
42 13, 6 | Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en
43 13, 7 | 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en
44 13, 11| machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij
45 13, 11| ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker
46 13, 16| Als gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~
47 13, 20| wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene,
48 13, 22| jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen der rijken
49 13, 23| der hovaardigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke
50 13, 24| een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden
51 13, 24| maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van
52 13, 25| Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem
53 14, 19| andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht
54 16, 1 | verheug u over hen niet, zo de vreze des Heren bij hen
55 16, 13| barmhartigheid groot is, zo is ook zijn kastijding;
56 17, 27| en nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en
57 18, 9 | tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen
58 18, 15| wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping,
59 18, 16| de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een
60 18, 31| lust van haar welbehagen, zo zult gij uw vijanden die
61 19, 4 | tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.~
62 19, 8 | indien het u geen zonde is, zo openbaar het niet.~
63 19, 12| van het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik
64 19, 13| hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat
65 19, 14| hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat
66 19, 26| verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen
67 20, 2 | jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent
68 20, 7 | vaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden
69 20, 18| vallen dan door een tong; zo zal de val der kwade mensen
70 21, 2 | indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~
71 21, 5 | smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal het huis der hovaardigen
72 21, 16| zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft.~
73 21, 17| verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet
74 21, 18| een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij
75 21, 21| een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas,
76 21, 30| goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen
77 22, 19| gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende
78 22, 22| 22 Zo kan een bevreesd hart in
79 22, 25| getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar
80 22, 26| vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is
81 22, 29| rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor
82 22, 30| mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt
83 23, 9 | gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans
84 23, 11| indien hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel.~
85 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen heeft,
86 23, 27| hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voleindigd,
87 24, 11| 11 En zo ben ik in Sion bevestigd.
88 24, 30| niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet
89 25, 31| Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees,
90 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed tot de Here.
91 26, 13| water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke
92 26, 17| hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid van
93 26, 18| heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van
94 26, 19| op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten
95 26, 21| zult uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende
96 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende,
97 27, 2 | stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen
98 27, 3 | de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd
99 27, 4 | Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin;
100 27, 4 | blijft de vuiligheid daarin; zo blijft des mensen vuiligheid
101 27, 6 | men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak der
102 27, 8 | hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het achterhalen,
103 27, 10| leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen,
104 27, 18| zoudt geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.~
105 27, 19| mens zijn vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren.~
106 27, 20| uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten,
107 27, 26| hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke
108 28, 13| gij in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar indien
109 28, 13| indien gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit
110 28, 20| scherpte des zwaards, doch niet zo velen als er gevallen zijn
111 29, 7 | hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft
112 29, 8 | 8 Maar indien niet, zo berooft hij hem van zijn
113 29, 27| 27 Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan
114 29, 30| heen, bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.~
115 30, 4 | Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven
116 30, 19| niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die door de
117 31, 12| aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet
118 31, 20| 20 En zo gij onder velen aanzit,
119 31, 23| 23 En zo gij met kost overladen zijt,
120 31, 29| indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het
121 32, 2 | 2 Bezorg hen, en zet u zo neder.~
122 32, 3 | gij zult geprezen zijn, zo rust, opdat gij van hunnentwege
123 33, 4 | Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult
124 33, 4 | is, zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord worden;
125 33, 7 | de ene dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen
126 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand
127 33, 15| het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen
128 33, 15| godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de
129 33, 19| vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en geef
130 33, 30| door bloed verkregen hebt; zo gij een huisknecht hebt,
131 34, 2 | grijpt, en de winden najaagt, zo is hij die de dromen gadeslaat.~
132 34, 6 | toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.~
133 34, 28| 28 Zo is het met een mens die
134 36, 21| spijs van het wildbraad, zo onderkent een verstandig
135 36, 25| zachtmoedig heid, en genezing, zo is haar man niet gelijk
136 36, 28| stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet,
137 38, 23| Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij
138 38, 24| 24 Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis
139 38, 28| 28 Zo is het gelegen met ieder
140 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen
141 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij
142 39, 8 | Indien die grote Here wil, zo zal hij met de geest des
143 39, 15| hij in het leven blijft, zo zal hij een betere naam
144 39, 15| indien hij komt te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich.~
145 39, 19| en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~
146 39, 27| 27 Zo erven de volken zijn toorn,
147 39, 29| goede mensen geschapen, zo de kwade dingen voor de
148 39, 31| godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in
149 39, 36| neer hun tijd gekomen is, zo overtreden zij het woord
150 40, 2 | en de vrees des harten, zo is de betrachting van hetgeen
151 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon
152 40, 4 | 4 Zo wel bij hem, die een purperen
153 40, 8 | 8 Zo gaat het met alle vlees,
154 40, 13| hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd;
155 41, 12| indien gij geboren wordt, zo wordt gij tot een vloek
156 41, 12| geboren, en indien gij sterft, zo wordt gij de vloek tot een
157 43, 22| water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering
158 45, 31| zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel des priesterdoms
159 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen
160 46, 13| niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd
161 47, 2 | geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit
162 47, 22| 22 Zo hebt gij uw heerlijkheid
163 50, 3 | de zee, houdende driemaal zo veel.~
164 50, 12| hand der priesters ontving, zo stond hij zelf bij de haard
165 51, 32| of wat zegt gij hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten.~
|