Chapter, Verse
1 1, 7 | zeer vreselijk, zittende op zijn troon.~
2 1, 29| der mensen: en neem acht op uw lippen.~
3 2, 6 | uw wegen recht, en hoop op hem.~
4 2, 10| geslachten aan en merkt op.~
5 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is
6 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen,
7 3, 28| de zon daar zal zonden, op zonden ophopen.~
8 3, 30| hart des verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des
9 4, 16| de volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker
10 5, 5 | volheid hebt, dat gij zonden op zonden zoudt hopen.~
11 5, 7 | zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn gramschap
12 5, 8 | en stel het niet uit dag op dag.~
13 5, 10| 10 Steun niet op onrechtvaardige rijkdom,
14 5, 14| indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~
15 6, 31| een gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn
16 7, 9 | 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte mijner gaven
17 7, 24| gij dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw
18 8, 4 | mens, en hoop geen hout op zijn vuur.~
19 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij
20 9, 1 | 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot,
21 9, 18| der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~
22 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen,
23 10, 4 | 4 De macht op aarde is in de hand des
24 10, 5 | des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden
25 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht,
26 10, 14| gruwelijke moedwil, doch op het einde zal hij omgekeerd
27 10, 18| Here om, en verderft ze tot op de grond der aarde.~
28 10, 22| kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn
29 11, 5 | 5 Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar
30 11, 5 | gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon
31 11, 12| en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en richt
32 11, 12| ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~
33 11, 33| die een zondaar is loert op bloed.~
34 12, 12| hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet
35 13, 2 | Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb
36 13, 8 | twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u bespotten,
37 13, 13| hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet,
38 14, 2 | vervalt van zijn hoop, die hij op de Here heeft.~
39 14, 7 | hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn
40 14, 19| Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige werpt
41 14, 22| een naspeurder, en loer op haar wegen.~
42 15, 4 | 4 Hij zal op haar gevestigd worden, en
43 15, 19| 19 En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen,
44 16, 2 | 2 Vertrouw op hun leven niet, en acht
45 16, 24| wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~
46 16, 29| En na deze heeft de Here op aarde gezien, en heeft ze
47 17, 4 | Hij heeft hun vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat
48 17, 7 | 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft
49 17, 14| eerstgeborene, de tucht op voedt, en hij deelt hem
50 17, 15| en zijn ogen zien steeds op hun wegen.~
51 17, 17| en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~
52 18, 10| giet zijn barmhartigheid op hen uit.~
53 18, 26| Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd,
54 18, 29| Beter is het betrouwen op de Here alleen, daar het
55 20, 18| 18 Het is beter op een vloer te vallen dan
56 20, 20| want hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~
57 21, 9 | vergadert tot een tombe op zijn graf.~
58 21, 19| dwaas is gelijk een last op de weg, maar op de lippen
59 21, 19| een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige
60 21, 28| woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~
61 22, 2 | Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem op
62 22, 2 | op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de hand af.~
63 22, 19| wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer
64 22, 20| 20 Een hart dat op verstandige gedachten gevestigd
65 22, 31| en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet
66 23, 11| mishandelt, zijn zonde is op hem, en indien hij het niet
67 23, 26| 26 Welke zien op alle wegen der mensen, en
68 23, 26| wegen der mensen, en merken op de verborgene delen.~
69 23, 28| 28 Deze zal op de straten der stad gewroken
70 23, 34| dan dat iemand acht neemt op de geboden Gods.~
71 24, 6 | In de baren der zee, en op de ganse aarde, en bij alle
72 24, 13| geworden als een cederboom op Libanon, en gelijk een cypresseboom
73 24, 13| gelijk een cypresseboom op de bergen van Hermon.~
74 24, 34| beste hof wateren, en mijn op. recht tuinbeddeken begieten.~
75 25, 3 | mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:~
76 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers
77 26, 12| 12 Neem acht op haar onbeschaamd oog, en
78 26, 16| getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar is geen
79 26, 18| 18 Gelijk het licht op de heilige kandelaar glinstert,
80 26, 19| 19 Gelijk gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo
81 26, 21| eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht.~
82 27, 10| 10 Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde
83 27, 10| jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken.~
84 27, 26| hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt
85 27, 29| verwijten, en de wraak loert op hen gelijk een leeuw.~
86 28, 6 | aan uw uiterste, en houd op vijandschap te oefenen.~
87 28, 30| tegenwoordigheid desgenen, die op u loert.~ ~
88 29, 24| uw vermogen, en heb acht op uzelf dat gij niet valt.~
89 30, 7 | verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden
90 30, 10| overkome, en gij ten laatste op uw tanden bijt.~
91 31, 3 | rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~
92 31, 17| uw naaste behaagt, en let op alle dingen.~
93 31, 19| 19 Houd eerst op, omdat gij onderwezen zijt,
94 31, 21| onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een
95 31, 21| des morgens vroeg weder op, en zijn vernuft is bij
96 31, 23| kost overladen zijt, sta op midden door heengaande;
97 32, 6 | zegel van een karbonkel op een gulden sieraad.~
98 32, 7 | een zegel in een smaragd op een gulden stuk werk.~
99 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk
100 32, 22| 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder
101 32, 24| de Here gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen
102 32, 24| gebod, en wie zijn betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek
103 33, 6 | briest onder een ieder, die op hem zit.~
104 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft.~
105 34, 17| 17 De ogen des Heren zien op degenen die hem liefhebben;
106 35, 1 | doet offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft, die
107 35, 16| de tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei
108 36, 19| over uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen
109 36, 25| 25 Is dan op haar tong barmhartigheid,
110 36, 26| en een pilaar waar hij op rusten mag.~
111 37, 13| 13 Acht op deze niet in een van al
112 37, 15| dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten.~
113 37, 30| lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.~
114 38, 8 | van hem komt gezondheid op de aardbodem.~
115 38, 34| Desgelijks een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met
116 38, 37| 37 Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig
117 38, 39| 39 Op de stoel der rechters zitten
118 39, 20| want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.~
119 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed
120 39, 39| want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden.~
121 40, 1 | geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van
122 40, 1 | lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij wederkeren
123 40, 3 | 3 Zo wel bij hem, die op de troon der heerlijkheid
124 40, 5 | het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap
125 40, 8 | vlees, van de mens af tot op het vee, doch over de zondaars
126 40, 14| onreine wortelen liggen op een steile steenrots.~
127 41, 24| met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke
128 41, 26| gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft.~
129 42, 4 | u niet, dat gij nauw let op de waag en het gewicht;
130 42, 15| 15 Zie niet op de schoonheid van enig mens,
131 42, 19| De zon verlichtende ziet op alle dingen, en haar werk
132 42, 22| onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen derzelve.~
133 42, 23| alle wetenschap, en ziet op de tekenen der eeuw.~
134 42, 28| aanschouwd te worden tot op een vonkje toe!~
135 43, 3 | 3 Als zij op de middag is, verdroogt
136 43, 19| sprinkhanen, die zich neder zetten op enig land.~
137 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde gelijk zout, welke
138 43, 22| bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van het
139 44, 24| en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob.~
140 45, 14| met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt
141 46, 11| ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land,
142 47, 1 | stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David.~
143 47, 8 | die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft
144 47, 12| 12 Hij heeft op de feesten ingesteld dingen
145 47, 14| 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs
146 48, 1 | DAARNA stond Elia de profeet op gelijk een vuur, en zijn
147 48, 3 | Heren hield hij de hemel op, en deed driemaal vuur uit
148 48, 7 | 7 Gij, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing
149 48, 7 | bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen der wraak.~
150 48, 20| zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis,
151 49, 2 | honig, en als een muziekspel op een wijnbanket.~
152 49, 16| er geen geschapen geweest op aarde als Henoch, want hij
153 50, 6 | gelijk de maan als zij vol is op haar tijd, en gelijk de
154 50, 7 | Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten;
155 50, 8 | 8 Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
156 50, 13| spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden
157 50, 14| voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren
158 50, 16| 16 Uitgietende op de fundamenten van het altaar
159 50, 18| volk in het gemeen, en viel op hun aangezicht ter aarde,
160 50, 21| afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der
161 50, 26| Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en
162 50, 27| Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing
|