Chapter, Verse
1 1, 9 | uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn
2 1, 13| wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen
3 1, 14| 14 Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd,
4 1, 14| gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.~
5 1, 15| wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen dronken van haar
6 1, 16| Haar gehele huis vervult zij met haar wellustigheden,
7 1, 21| misdaden, en bijblijvende keert zij toorn af.~
8 2, 19| Here vrezen, zoeken dat zij hem behagen mogen.~
9 4, 14| zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal de Here
10 4, 18| 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan.~
11 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal
12 4, 19| haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen
13 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem keren
14 4, 22| hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten
15 5, 12| vast daarbij, en uw woord zij enerlei.~
16 5, 14| naasten; en indien niet, zo zij uw hand op uw mond.~
17 6, 6 | duizenden die uw raadgever zij.~
18 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze
19 6, 22| 22 Zij is bij hem gelijk een harde
20 6, 28| haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en
21 6, 29| gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken;~
22 7, 18| enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte
23 7, 28| in gelijkheid van hetgeen zij u gegeven hebben?~
24 8, 11| onderwijzing der ouden, want zij hebben ook geleerd van hun
25 9, 2 | ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~
26 9, 15| behagen hebben; gedenk dat zij tot in de hel toe niet,
27 9, 19| en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.~
28 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen
29 13, 30| verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade,
30 15, 2 | En gelijk een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk
31 15, 2 | gelijk een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd heeft,
32 15, 2 | was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen.~
33 15, 3 | 3 Zij zal hem spijzen met brood
34 15, 3 | met water der wijsheid zal zij hem drenken.~
35 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven zijn
36 15, 5 | verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden der vergadering
37 15, 6 | der verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam
38 15, 8 | zullen haar geenszins zien; zij is verre van hovaardigheid,
39 16, 1 | goddeloze zonen; indien zij vermenigvuldigen verheug
40 16, 10| uitgingen in hun zonden, die zij deden.~
41 16, 21| kan zijn wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm wind,
42 16, 26| van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft hij
43 16, 27| hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad,
44 16, 28| tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam
45 16, 30| gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~
46 17, 7 | in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden
47 17, 9 | een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij
48 17, 9 | zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.~
49 17, 13| geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats
50 18, 28| En wie ze vindt, die zal zij geven zulks openbaar te
51 20, 24| mond der ongeschikten is zij gedurig.~
52 20, 25| liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis beërven.~
53 20, 29| een toom in de mond, keren zij de bestraffingen af.~
54 21, 2 | gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~
55 22, 5 | beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven.~
56 22, 31| valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
57 23, 6 | waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn
58 23, 14| zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet
59 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten
60 23, 30| geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld jegens
61 23, 30| man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven,
62 23, 33| 33 Haar gedachtenis zal zij tot een vervloeking nalaten,
63 24, 1 | midden van haar volk beroemt zij zich.~
64 24, 2 | 2 Zij doet haar mond open in de
65 25, 21| verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet gelijk een beer.~
66 25, 26| is bij een vrouw, indien zij haar man toereikt dat hij
67 25, 31| 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd
68 26, 4 | of arm is, altijd hebben zij een vrolijk aangezicht en
69 26, 11| dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte
70 26, 11| opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor
71 26, 12| verwonder u niet, indien zij verkeerd tegen u zou handelen.~
72 26, 13| nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke paal
73 26, 27| allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid goddeloos
74 28, 13| een vonk blaast, zo zal zij branden, maar indien gij
75 28, 13| gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide
76 28, 14| een tweetongig mens want zij hebben velen verdorven,
77 28, 24| het graf is nuttiger dan zij.~
78 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden
79 28, 25| en door haar vlam zullen zij niet verbranden.~
80 28, 26| haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet
81 28, 27| 27 Zij zal over hen gezonden worden
82 28, 27| gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~
83 29, 10| de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd
84 29, 16| 16 Zij zal meer dan een sterk schild,
85 29, 22| 22 Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder
86 30, 12| ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~
87 31, 20| hand niet eerder uit dan zij.~
88 31, 29| hart der hovaardigen als zij dronken zijn.~
89 32, 1 | 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld,
90 33, 8 | 8 Zij zijn in de kennis des Heren
91 33, 13| 13 Zij zijn in zijn hand gelijk
92 33, 15| werken des Allerhoogsten, zij zijn alle twee, het een
93 33, 30| een huisknecht, dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij
94 34, 25| andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?~
95 35, 15| verachten, noch de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem
96 35, 23| de tijd der verdrukking; zij is gelijk de wolken in de
97 36, 5 | 5 Dat zij u mogen kennen gelijkerwijs
98 36, 7 | hand en rechterarm, opdat zij uw wonderen mogen vertellen.~
99 37, 12| aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een
100 38, 14| 14 Want ook zij zelf bidden de Here, dat
101 38, 33| ze te versieren, wanneer zij voleindigd zijn.~
102 38, 38| raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en
103 38, 38| in de vergadering zullen zij niet overgaan.~
104 38, 39| stoel der rechters zitten zij niet, en het verbond van
105 38, 39| verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing
106 38, 40| hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der
107 38, 40| wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.~
108 39, 28| heiligen recht, gelijkerwijs zij de goddelozen tot aanstoot
109 39, 32| voleindigd is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen
110 39, 35| In zijn bevel verheugen zij zich,~
111 39, 36| 36 En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten,
112 39, 36| gekomen is, zo overtreden zij het woord niet.~
113 40, 1 | Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam
114 40, 1 | zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder
115 40, 2 | betrachting van hetgeen zij te verwachten hebben, de
116 41, 10| zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.~
117 42, 12| haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude,
118 42, 12| misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien
119 42, 12| en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat worde.~
120 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien
121 42, 13| 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd,
122 42, 13| en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede,
123 42, 13| niet misschien onvruchtbaar zij.~
124 42, 14| een wrevelige dochter, dat zij niet misschien make dat
125 42, 14| en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte
126 42, 21| gehele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door zijn
127 43, 2 | verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument,
128 43, 3 | 3 Als zij op de middag is, verdroogt
129 43, 3 | de middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen
130 43, 6 | hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd,
131 43, 7 | een teken van het feest, zij is een licht dat geheel
132 43, 8 | naam naar haar; wassende is zij wonderbaar in haar verandering.~
133 43, 9 | 9 Zij is een vat hetwelk legerplaats
134 43, 11| woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling,
135 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken,
136 44, 6 | in hun onderwijzing, en zij zochten liefelijke gezangen
137 44, 10| die vergaan zijn gelijk of zij niet geweest waren; en zijn
138 44, 10| en zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; desgelijks
139 44, 23| het stof der aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten
140 45, 23| geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de grimmigheid
141 45, 26| toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers des
142 46, 9 | de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden,
143 47, 12| volkomen versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige
144 47, 22| kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege
145 47, 28| 28 Dat zij afvallig werden van het
146 48, 8 | koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en
147 48, 11| 11 Zalig zijn zij die u gezien hebben, en
148 48, 16| hun zonden niet af totdat zij als een roof zijn weggevoerd
149 48, 22| 22 En zij riepen de Here, de ontfermer,
150 49, 2 | 2 Zij is zoet in de mond van een
151 49, 5 | Hiskia, en Josia, hebben zij allen misdaden begaan.~
152 49, 6 | 6 Want zij hebben de wet des Allerhoogsten
153 49, 9 | 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld,
154 49, 12| gedachtenis der twaalf profeten zij in zegening.~
155 50, 6 | wolken, gelijk de maan als zij vol is op haar tijd, en
156 50, 20| versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.~
157 50, 22| 22 En zij baden ten tweeden male aan,
158 50, 30| 30 Geprezen zij de Here in der eeuwigheid.
159 51, 9 | 9 Zij hadden mij van alle zijden
160 51, 34| ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~
|