Chapter, Verse
1 1, 12| zijn dood zal hij gezegend worden.~
2 1, 14| en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.~
3 1, 22| niet kunnen gerechtvaardigd worden, want de hevigheid zijns
4 2, 3 | opdat gij moogt vermeerderd worden in uw laatste dagen.~
5 2, 15| daarom zal het niet beschermd worden.~
6 2, 20| zullen van zijn wet verzadigd worden.~
7 3, 5 | dag zijns gebeds verhoord worden.~
8 3, 15| bewijst, zal niet vergeten worden.~
9 3, 16| zult gij daartegen gebouwd worden.~
10 3, 17| verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk schoon weder het
11 3, 19| aangename mensen bemind worden.~
12 3, 21| vermaard, maar de zachtmoedigen worden de verborgenheden geopenbaard.~
13 3, 28| Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zon daar
14 3, 29| aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der boosheid
15 4, 13| zullen met verheuging vervuld worden.~
16 4, 29| zal in het woord bekend worden, en de onderwijzing in de
17 5, 6 | mijner zonden zal verzoend worden.~
18 5, 9 | zijn zult gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak
19 5, 10| ongeluk over u zal gebracht worden.~
20 6, 4 | vijanden over haar verblijd worden.~
21 6, 20| wel een weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar
22 6, 28| haar, en zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig
23 6, 33| zo zult gij onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe
24 6, 33| zo zult gij geheel kloek worden.~
25 6, 34| neigen, zo zult gij wijs worden.~
26 6, 37| begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~
27 7, 6 | Zoek niet een rechter te worden, want gij mocht niet sterk
28 7, 37| zulke dingen zult gij bemind worden.~
29 8, 5 | voorouders van hem niet onteerd worden.~
30 8, 7 | uit ons zijn er die oud worden.~
31 9, 15| zullen gerechtvaardigd worden.~
32 9, 21| kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs voorganger
33 9, 22| in zijn rede, zal gehaat worden.~ ~
34 10, 3 | verstand der machtigen bewoond worden.~
35 10, 14| einde zal hij omgekeerd worden.~
36 10, 23| is, en die de Here vrezen worden geëerd voor zijn ogen.~
37 10, 27| rechters, en de machtigen worden geëerd, maar geen hunner
38 12, 11| Indien hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing
39 12, 11| afgeveegd, en zult gewaar worden, dat hij die niet tot het
40 12, 16| hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed.~
41 13, 3 | de andere zal verbrijzeld worden.~
42 14, 22| verborgenheden verstandig worden; ga uit achter haar gelijk
43 14, 26| Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar
44 15, 4 | Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en
45 15, 4 | houden, en niet beschaamd worden.~
46 15, 10| wijsheid zal lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig
47 15, 17| zal, dat zal hem gegeven worden.~
48 16, 5 | stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen
49 16, 5 | goddelozen zal haastig woest worden.~
50 16, 7 | zal een vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest
51 16, 15| zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de
52 16, 18| in zijn bezoeking bewogen worden; de ganse wereld die geweest
53 16, 19| de fundamenten der aarde worden tegelijk geschud onder elkander
54 18, 8 | kan van niemand berekend worden.~
55 18, 22| de dood rechtvaardig te worden.~
56 19, 1 | dronkaard is, zal niet rijk worden, en die het weinige versmaadt,
57 19, 5 | kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat,
58 20, 1 | zal voor schade bewaard worden.~
59 20, 12| der dwazen zal uitgestort worden.~
60 20, 20| eens dwazen zal verworpen worden, want hij spreekt die niet
61 21, 5 | der hovaardigen verwoest worden.~
62 21, 14| die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid
63 21, 15| een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn
64 21, 31| wonen, daar zal hij gehaat worden.~ ~
65 22, 7 | Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte
66 23, 3 | onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen
67 23, 6 | zijn lippen niet gevangen worden.~
68 23, 7 | onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige
69 23, 12| zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld
70 23, 12| want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.~
71 23, 13| laat die niet gevonden worden in het erfdeel Jakobs.~
72 23, 14| zonden niet ingewikkeld worden.~
73 23, 18| zijns levens niet onderwezen worden.~
74 23, 28| straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden waar
75 23, 28| gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft
76 23, 31| de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal
77 23, 33| versmaadheid zal niet uitgewist worden.~
78 24, 21| die mij van hem toegezegd worden.~
79 24, 25| zal nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden
80 25, 15| bij wie zal hij vergeleken worden?~
81 26, 22| geslacht hebbende, groot worden.~
82 26, 23| een toren des doods geacht worden, degenen die haar gebruiken.~
83 26, 24| onrechtvaardige tot een deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw
84 26, 26| onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een hond, maar die schaamte
85 26, 27| allen voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert,
86 26, 27| onteert, zal van allen gekend worden, dat zij door hovaardigheid
87 26, 29| te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering
88 26, 31| verstandige mannen als drek geacht worden;~
89 26, 33| zal niet gerechtvaardigd worden van zonde.~ ~
90 27, 2 | tussen verkopen en kopen worden gewreven.~
91 27, 3 | zijn huis haastig omgekeerd worden.~
92 27, 7 | hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.~
93 27, 27| legt, zal daarmee gevangen worden.~
94 27, 30| zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren
95 27, 30| daar zal daarmee bevangen worden.~ ~
96 28, 2 | zullen u uw zonden vergeven worden.~
97 28, 26| vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust
98 28, 26| ontstoken, en niet uitgeblust worden;~
99 28, 27| Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en gelijk
100 29, 10| het hunne mochten beroofd worden.~
101 29, 17| zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren
102 30, 2 | tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden der vermaarde
103 30, 7 | wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.~
104 31, 5 | zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving
105 31, 5 | deze zal daarvan verzadigd worden.~
106 31, 11| zijn goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn
107 32, 16| die zal daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal
108 32, 16| is, zal daaraan geërgerd worden.~
109 33, 4 | en zo zult gij gehoord worden; bind de onderwijzing tezamen
110 34, 4 | wat zal daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke
111 35, 7 | daarvan zal niet vergeten worden.~
112 35, 17| welbehagen zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan
113 36, 4 | ons groot gemaakt moogt worden in hen.~
114 36, 10| laat uw wonderen verteld worden.~
115 36, 18| dat uw profeten geloofd worden.~
116 37, 2 | een vriend tot vijanden worden?~
117 37, 25| Een wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die
118 38, 5 | door de mens zou gekend worden?~
119 38, 6 | wonderen verheerlijkt te worden.~
120 38, 25| handeling, die zal niet wijs worden.~
121 38, 26| 26 Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en
122 38, 38| hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in
123 38, 38| zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen
124 38, 40| 40 Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar
125 39, 8 | geest des verstands vervuld worden.~
126 39, 12| eeuwigheid niet uitgewist worden.~
127 39, 20| zullen op hun tijd onderzocht worden.~
128 39, 23| daar kan niets verborgen worden voor zijn ogen.~
129 39, 31| godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd.~
130 39, 39| op hun tijd goed gekend worden.~
131 40, 11| ongerechtigheid zal uitgedelgd worden, maar geloof zal in eeuwigheid
132 40, 13| die overtreden, verdelgd worden tot het uiterste.~
133 40, 15| alle ander gras uitgeplukt worden.~
134 41, 8 | 8 Der zondaren kinderen worden gruwelijke kinderen, en
135 41, 10| zij om zijnentwil gesmaad worden.~
136 41, 14| der mensen zal uitgewist worden.~
137 41, 20| te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid
138 42, 10| ieder, die leeft, geacht worden.~
139 42, 24| voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij ontdekt de
140 42, 28| begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje toe!~
141 42, 31| anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid
142 43, 11| de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling,
143 43, 11| tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar
144 43, 15| 15 Daarom worden de schatten geopend, en
145 43, 16| wolken, en de hagelstenen worden verbroken.~
146 43, 17| en door zijn aanschouwen worden de bergen bewogen.~
147 44, 14| heerlijkheid zal niet uitgedelgd worden.~
148 44, 19| zond vloed zou verdelgd worden.~
149 46, 22| ongerechtigheid des volks zou verdelgd worden.~ ~ ~
150 50, 28| ter harte neemt, zal wijs worden.~
151 51, 24| zal geenszins te schande worden.~
152 51, 28| daarom zal ik niet verlaten worden.~
|