Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
aärons 1
aalmoes 5
aalmoezen 5
aan 144
aanbeeld 2
aanbrengen 1
aanbrengt 1
Frequency    [«  »]
160 zij
155 voor
152 worden
144 aan
134 hun
131 als
123 geen

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

aan

    Chapter, Verse
1 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af, 2 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen, 3 2, 10| Ziet de oude geslachten aan en merkt op.~ 4 3, 17| dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk 5 3, 26| oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben, 6 3, 26| gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig 7 3, 32| weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, 8 4, 12| kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.~ 9 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet 10 4, 32| 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem 11 4, 32| persoon des machtigen niet aan.~ 12 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, 13 6, 18| onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren 14 6, 35| er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring 15 7, 8 | een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult 16 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, 17 7, 20| de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~ 18 7, 23| buig hun hals van de jeugd aan.~ 19 7, 25| volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.~ 20 7, 26| niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.~ 21 7, 35| aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid 22 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult 23 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen 24 9, 15| 15 Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen 25 10, 30| dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.~ 26 11, 2 | schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.~ 27 11, 12| node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote 28 11, 13| verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen 29 11, 26| in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.~ 30 11, 28| men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is 31 11, 29| zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een 32 12, 1 | INDIEN gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij 33 12, 2 | 2 Doe wel aan de godvrezende, en gij zult 34 12, 4 | en neem u de zondaar niet aan.~ 35 12, 6 | en neem u de zondaar niet aan.~ 36 12, 12| plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij 37 13, 14| geenszins plagen en banden aan u sparen.~ 38 13, 17| leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~ 39 13, 19| man hangt zijns gelijke aan.~ 40 13, 27| en verhogen zijn rede tot aan de wolken.~ 41 14, 10| over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.~ 42 14, 18| het verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult de dood 43 15, 4 | wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd 44 15, 8 | en leugenaars gedenken aan haar gans niet.~ 45 16, 9 | niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had, 46 16, 16| Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte?~ 47 16, 17| Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want 48 17, 14| Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene, 49 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen hemels, 50 18, 9 | greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend 51 18, 22| tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te 52 18, 24| 24 Gedenk aan de gramschap die komen zal 53 18, 24| de dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de 54 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in 55 18, 25| in de tijd der volheid, aan armoede en gebrek in de 56 18, 29| daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.~ 57 19, 21| een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~ 58 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt, en bevreesd 59 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een 60 19, 27| en een verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts 61 21, 6 | arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel 62 21, 11| van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is 63 21, 22| de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers 64 21, 22| voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~ 65 21, 24| versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.~ 66 21, 27| des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige 67 22, 20| een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 68 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een 69 23, 5 | mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.~ 70 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want 71 23, 24| ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, 72 24, 26| krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen 73 25, 4 | die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft.~ 74 25, 9 | 9 Aan negen dingen heb ik gedacht, 75 25, 10| mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij 76 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, 77 26, 10| van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen 78 26, 10| verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~ 79 26, 19| zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst.~ 80 26, 25| vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter 81 27, 3 | iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt, 82 28, 6 | 6 Gedenk aan uw uiterste, en houd op 83 28, 8 | 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen 84 28, 8 | vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten, 85 29, 4 | en doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.~ 86 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer 87 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb 88 29, 27| Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, 89 29, 27| zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet 90 30, 1 | die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk 91 30, 6 | een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, 92 30, 13| opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~ 93 30, 14| beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is.~ 94 31, 12| 12 Als gij aan een grote tafel zit, zo 95 31, 31| leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij 96 33, 5 | de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging 97 33, 19| leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet 98 33, 22| en hang geen schandvlek aan uw eer.~ 99 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~ 100 34, 16| desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is 101 34, 20| Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, 102 35, 17| worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~ 103 36, 1 | aller dingen, en zie ons aan.~ 104 36, 10| tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen 105 36, 15| 15 Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem, 106 36, 23| Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is 107 37, 21| hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.~ 108 38, 21| van u, gedachtig zijnde aan uw einde;~ 109 38, 23| 23 Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal 110 39, 17| een roos, die geplant is aan een stromend water;~ 111 39, 34| het zwaard doende wraak aan de goddelozen tot hun verderf.~ 112 40, 15| 15 Hun groente aan alle water en oever van 113 41, 3 | die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.~ 114 41, 5 | oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest 115 41, 5 | want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~ 116 42, 1 | dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.~ 117 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk 118 43, 1 | des hemels is heerlijk om aan te zien.~ 119 43, 4 | 4 Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar 120 43, 22| water gelijk als een pantser aan.~ 121 44, 23| bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier 122 44, 23| andere, en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.~ 123 45, 3 | heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem 124 45, 16| deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht 125 45, 24| 24 Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en 126 46, 2 | uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen 127 46, 6 | riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom 128 46, 18| riep de Here, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom 129 47, 6 | riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn 130 47, 12| en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank 131 48, 22| riepen de Here, de ontfermer, aan, en breidden hun handen 132 48, 25| behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn 133 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende dingen tot 134 49, 7 | gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk.~ 135 49, 13| was gelijk een zegelring aan de rechterhand.~ 136 50, 7 | bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; 137 50, 10| cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed 138 50, 18| almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden.~ 139 50, 22| zij baden ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste 140 50, 24| geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, 141 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here, 142 51, 10| barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle tijden.~ 143 51, 13| Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde 144 51, 34| uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License