Chapter, Verse
1 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af,
2 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen,
3 2, 10| Ziet de oude geslachten aan en merkt op.~
4 3, 17| dag der verdrukking zal aan u gedacht worden, gelijk
5 3, 26| oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek hebben,
6 3, 26| gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig
7 3, 32| weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende,
8 4, 12| kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken.~
9 4, 26| 26 Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet
10 4, 32| 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem
11 4, 32| persoon des machtigen niet aan.~
12 5, 1 | 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet,
13 6, 18| onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren
14 6, 35| er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring
15 7, 8 | een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult
16 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw,
17 7, 20| de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~
18 7, 23| buig hun hals van de jeugd aan.~
19 7, 25| volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man.~
20 7, 26| niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over.~
21 7, 35| aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid
22 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en gij zult
23 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen
24 9, 15| 15 Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen
25 10, 30| dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.~
26 11, 2 | schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.~
27 11, 12| node, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote
28 11, 13| verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen
29 11, 26| in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht.~
30 11, 28| men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens is
31 11, 29| zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een
32 12, 1 | INDIEN gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij
33 12, 2 | 2 Doe wel aan de godvrezende, en gij zult
34 12, 4 | en neem u de zondaar niet aan.~
35 12, 6 | en neem u de zondaar niet aan.~
36 12, 12| plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij
37 13, 14| geenszins plagen en banden aan u sparen.~
38 13, 17| leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~
39 13, 19| man hangt zijns gelijke aan.~
40 13, 27| en verhogen zijn rede tot aan de wolken.~
41 14, 10| over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.~
42 14, 18| het verbond van de eeuw aan is dit: Gij zult de dood
43 15, 4 | wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd
44 15, 8 | en leugenaars gedenken aan haar gans niet.~
45 16, 9 | niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel had,
46 16, 16| Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte?~
47 16, 17| Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want
48 17, 14| Israël nam hij tot zijn deel aan, welke, zijnde zijn eerstgeborene,
49 17, 28| 28 Hij ziet aan de kracht des hogen hemels,
50 18, 9 | greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend
51 18, 22| tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te
52 18, 24| 24 Gedenk aan de gramschap die komen zal
53 18, 24| de dagen van de dood, en aan de tijd der wraak, als de
54 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in
55 18, 25| in de tijd der volheid, aan armoede en gebrek in de
56 18, 29| daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood is.~
57 19, 21| een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt.~
58 19, 22| 22 Die het aan verstand ontbreekt, en bevreesd
59 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een
60 19, 27| en een verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts
61 21, 6 | arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel
62 21, 11| van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan is
63 21, 22| de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers
64 21, 22| voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~
65 21, 24| versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.~
66 21, 27| des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige
67 22, 20| een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~
68 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een
69 23, 5 | mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.~
70 23, 16| 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want
71 23, 24| ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken,
72 24, 26| krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here is alleen
73 25, 4 | die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft.~
74 25, 9 | 9 Aan negen dingen heb ik gedacht,
75 25, 10| mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij
76 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw,
77 26, 10| van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen
78 26, 10| verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
79 26, 19| zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst.~
80 26, 25| vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter
81 27, 3 | iemand zich niet naarstig aan de vreze des Heren houdt,
82 28, 6 | 6 Gedenk aan uw uiterste, en houd op
83 28, 8 | 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen
84 28, 8 | vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond des Allerhoogsten,
85 29, 4 | en doen de genen moeite aan, die hen geholpen hebben.~
86 29, 12| 12 Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer
87 29, 24| 24 Neem u des naasten aan naar uw vermogen, en heb
88 29, 27| Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote,
89 29, 27| zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat gij niet
90 30, 1 | die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk
91 30, 6 | een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal,
92 30, 13| opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~
93 30, 14| beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is.~
94 31, 12| 12 Als gij aan een grote tafel zit, zo
95 31, 31| leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij
96 33, 5 | de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging
97 33, 19| leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet
98 33, 22| en hang geen schandvlek aan uw eer.~
99 33, 28| 28 Stel hem aan het werk, gelijk hem betaamt.~
100 34, 16| desgenen, die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is
101 34, 20| Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen,
102 35, 17| worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken.~
103 36, 1 | aller dingen, en zie ons aan.~
104 36, 10| tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat uw wonderen
105 36, 15| 15 Bewijs barmhartigheid aan uw heilige stad Jeruzalem,
106 36, 23| Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is
107 37, 21| hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid.~
108 38, 21| van u, gedachtig zijnde aan uw einde;~
109 38, 23| 23 Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal
110 39, 17| een roos, die geplant is aan een stromend water;~
111 39, 34| het zwaard doende wraak aan de goddelozen tot hun verderf.~
112 40, 15| 15 Hun groente aan alle water en oever van
113 41, 3 | die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft.~
114 41, 5 | oordeel des doods niet; gedenk aan degenen die voor u geweest
115 41, 5 | want dit is het oordeel aan uw vlees door de Here opgelegd.~
116 42, 1 | dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.~
117 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk
118 43, 1 | des hemels is heerlijk om aan te zien.~
119 43, 4 | 4 Men blaast een oven aan tot werken der hitte, maar
120 43, 22| water gelijk als een pantser aan.~
121 44, 23| bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier
122 44, 23| andere, en van de rivier tot aan het uiterste der aarde.~
123 45, 3 | heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem
124 45, 16| deed ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht
125 45, 24| 24 Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en
126 46, 2 | uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen
127 46, 6 | riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom
128 46, 18| riep de Here, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom
129 47, 6 | riep de Allerhoogste Here aan, en die gaf hem in zijn
130 47, 12| en van des morgens vroeg aan zijn heiligdom weerklank
131 48, 22| riepen de Here, de ontfermer, aan, en breidden hun handen
132 48, 25| behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn
133 48, 28| 28 Hij wees aan de toekomende dingen tot
134 49, 7 | gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk.~
135 49, 13| was gelijk een zegelring aan de rechterhand.~
136 50, 7 | bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water;
137 50, 10| cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed
138 50, 18| almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden.~
139 50, 22| zij baden ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste
140 50, 24| geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid,
141 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here,
142 51, 10| barmhartigheid, Here, en aan uw werken van alle tijden.~
143 51, 13| Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde
144 51, 34| uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~
|