Chapter, Verse
1 1, 14| fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd.~
2 2, 21| de Here vrezen, bereiden hun harten, en vernederen hun
3 2, 21| hun harten, en vernederen hun zielen voor hem.~
4 3, 26| 26 Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen,
5 3, 26| boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als
6 4, 10| wezen als een vader, en hun moeder in plaats van een
7 7, 23| kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan.~
8 7, 28| voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid
9 8, 9 | wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~
10 8, 11| zij hebben ook geleerd van hun vaderen.~
11 10, 16| en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet.~
12 10, 17| en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid.~
13 10, 20| 20 En heeft hun gedachtenis doen ophouden
14 10, 23| broeders is degene geëerd, die hun leidsman is, en die de Here
15 16, 2 | 2 Vertrouw op hun leven niet, en acht hun
16 16, 2 | hun leven niet, en acht hun menigte niet.~
17 16, 9 | een gruwel had, vanwege hun hovaardigheid.~
18 16, 10| verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.~
19 16, 26| gemaakt zijn, heeft hij hun delen onder scheiden.~
20 16, 27| versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand
21 17, 2 | 2 Hij heeft hun een getal van dagen, en
22 17, 2 | bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen
23 17, 3 | bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen
24 17, 4 | 4 Hij heeft hun vreze gelegd op alle vlees,
25 17, 5 | voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken,
26 17, 6 | 6 Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en
27 17, 6 | heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is
28 17, 7 | 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft
29 17, 7 | harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te
30 17, 9 | 9 Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap,
31 17, 9 | toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot een
32 17, 10| hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.~
33 17, 11| 11 Hun ogen hebben zijn heerlijke
34 17, 11| heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid
35 17, 12| ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk een
36 17, 13| 13 Hun wegen zullen niet verborgen
37 17, 13| het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen
38 17, 15| 15 Daarom zijn al hun werken voor hem gelijk als
39 17, 15| zijn ogen zien steeds op hun wegen.~
40 17, 16| 16 Hun ongerechtigheden zijn niet
41 17, 16| verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de Here,
42 17, 17| hen weder vergelden, en hun vergelding zal hij op hun
43 17, 17| hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden.~
44 18, 11| heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is,
45 21, 28| veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden
46 21, 29| Het hart der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen
47 21, 29| de mond der wijzen is in hun hart.~
48 22, 7 | verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in
49 22, 7 | bevlekken de edele afkomst van hun geslacht.~
50 23, 1 | levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen
51 25, 3 | mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:~
52 25, 8 | een kroon der ouden, en hun roem is de vreze des Heren.~
53 27, 13| der zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid
54 27, 14| haren overeind staan, en hun strijd maakt dat men de
55 27, 15| brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om
56 27, 30| smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke
57 31, 6 | geworden om des gouds wil, en hun verderf is geweest voor
58 31, 6 | verderf is geweest voor hun ogen.~
59 32, 10| onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude
60 32, 15| maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.~
61 33, 11| wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd.~
62 33, 12| vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort.~
63 34, 14| 14 Want hun hoop is op hem, die hen
64 34, 17| die hem liefhebben; hij is hun een krachtig schild en sterk
65 35, 21| de werken der mensen naar hun gedachten.~
66 36, 3 | de vreemde volken, laat hun uw vermogen zien.~
67 36, 4 | 4 Gelijk gij voor hun ogen geheiligd zijt geweest
68 36, 13| stammen Jakobs, en stel hen in hun erfdeel, gelijk van het
69 38, 13| mischien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is.~
70 38, 14| bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing om
71 38, 37| Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig
72 38, 40| het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst
73 38, 40| en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.~
74 39, 20| al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden.~
75 39, 25| want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen.~
76 39, 32| geschapen zijn, en door hun gramschap bevestigt God
77 39, 32| gramschap bevestigt God hun geselen, als de tijd voleindigd
78 39, 32| voleindigd is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen
79 39, 34| wraak aan de goddelozen tot hun verderf.~
80 39, 36| zijn diensten, en wan neer hun tijd gekomen is, zo overtreden
81 39, 39| want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden.~
82 40, 1 | van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen
83 40, 2 | 2 Aangaande hun gedachten, en de vrees des
84 40, 15| 15 Hun groente aan alle water en
85 41, 9 | zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft gedurig versmaadheid.~
86 41, 14| mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, doch de boze naam
87 42, 3 | reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven.~
88 42, 29| in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle
89 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn vermaarde
90 44, 6 | redenen zijn geweest in hun onderwijzing, en zij zochten
91 44, 7 | en vreedzaam levende in hun woningen.~
92 44, 8 | 8 Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt
93 44, 8 | verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd.~
94 44, 9 | nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt.~
95 44, 10| geboren waren; desgelijks hun kinderen na hen.~
96 44, 12| 12 Bij hun zaad blijft een goed erfdeel;
97 44, 12| blijft een goed erfdeel; hun nakomelingen zijn in de
98 44, 13| 13 Hun zaad is in de verbonden,
99 44, 13| zaad is in de verbonden, en hun kinderen na hen.~
100 44, 14| in der eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid
101 44, 14| eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgedelgd
102 44, 15| 15 Hun lichamen zijn in vrede begraven,
103 44, 15| zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht
104 44, 16| 16 De volken zullen hun wijsheid vertellen, en de
105 44, 16| vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen.~
106 45, 17| 17 Hun slachtofferg werden des
107 45, 32| in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen,
108 45, 32| geve zijn heerlijkheid in hun geslachten.~ ~
109 46, 8 | 8 Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen,
110 46, 13| zijn afgekeerd van de Here, hun gedachtenis is ook gezegend.~
111 46, 14| 14 Dat hun gebeente wederom spruit
112 46, 14| gebeente wederom spruit in hun plaats, en hun naam door
113 46, 14| spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd
114 46, 14| vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders.~
115 47, 8 | huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken.~
116 47, 11| dagelijks God te prijzen met hun gezangen,~
117 47, 27| Efraïm een weg der zonde, en hun zonden vermenigvuldigden
118 48, 6 | verheven waren tot eer, van hun bed.~
119 48, 16| volk niet, en stond van hun zonden niet af totdat zij
120 48, 16| roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door
121 48, 21| 21 Toen werden hun harten en handen bewogen,
122 48, 22| ontfermer, aan, en breidden hun handen tot hem uit.~
123 49, 7 | 7 Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven, en
124 49, 7 | troon anderen gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd
125 49, 11| plasregen, en bracht terecht die hun wegen recht maakten.~
126 49, 14| zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weder hebben
127 50, 13| al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offerande
128 50, 13| offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid
129 50, 18| in het gemeen, en viel op hun aangezicht ter aarde, om
130 50, 18| aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige en Allerhoogste
131 50, 19| de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste
132 50, 20| Allerhoogsten, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht
133 50, 21| der kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des Heren
134 50, 26| 26 Die hun zitplaats hebben op de berg
|