42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg
bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1 42 | 42~ ~
2 43 | 43~ ~
3 44 | 44~ ~
4 45 | 45~ ~
5 46 | 46~ ~
6 47 | 47~ ~
7 48 | 48~ ~
8 49 | 49~ ~
9 50 | 50~ ~
10 51 | 51~ ~
11 45, 25| 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd,
12 3, 6 | is, zal zijn moeder rust aanbrengen,~
13 4, 25| beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid,
14 11, 4 | met de klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid
15 22, 8 | leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit
16 21, 28| verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen
17 11, 9 | niet om een zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het
18 23, 12| huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen.~
19 47, 22| heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd,
20 26, 30| het derde is mij gramschap aangekomen:~
21 34, 27| nadat hij een dode heeft aangeraakt, en die weder aanraakt,
22 2, 12| geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?~
23 10, 1 | verstandigen is ordelijk aangesteld.~
24 45, 9 | der heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem
25 3, 25| want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand der mensen
26 36, 26| begint goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die
27 26, 8 | degene, die een schorpioen aangrijpt.~
28 19, 2 | afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt stout.~
29 25, 16| geloof het begin zijner aankleving.~
30 13, 7 | zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij
31 34, 27| aangeraakt, en die weder aanraakt, welke nuttigheid heeft
32 13, 1 | 1 DIE pek aanroert, wordt daarmede besmet,
33 42, 28| werken om te begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje
34 42, 31| wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid Gods?~ ~
35 43, 2 | De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar
36 6, 5 | vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.~
37 43, 4 | driemaal meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast,
38 32, 17| en zullen gerechtigheden aansteken als een licht.~
39 31, 7 | 7 Het is een hout des aanstoots degenen die het offeren,
40 32, 21| geen steenachtige plaatsen aanstoten.~
41 50, 10| als hij de volmaakte roem aantrok.~
42 2, 1 | dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting.~
43 43, 6 | zou in haar tijd, tot een aanwijzing der tijden, en tot een teken
44 13, 8 | bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn
45 31, 20| 20 En zo gij onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder
46 25, 22| zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten
47 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben?
48 17, 14| der volken van het ganse aardrijk heeft bij over elk volk
49 45, 22| mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering
50 16, 14| van de godzalige zal niet achterblijven.~
51 3, 26| vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen;
52 27, 8 | najaagt, zo zult gij het achterhalen, en zult het aantrekken
53 35, 13| rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~
54 39, 34| en de schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak
55 33, 20| Zolang als gij nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands
56 34, 25| de een bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan
57 4, 22| 22 Indien hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten,
58 10, 22| de geboden overtreden een afdwalend zaad.~
59 34, 11| veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand,
60 12, 11| als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden,
61 48, 6 | 6 Gij hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven
62 47, 23| niet, en werd gans niet afgewend van zijn werken.~
63 30, 19| Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet niet,
64 24, 5 | en heb in de diepte der afgronden gewandeld.~
65 14, 8 | boos mens, die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt,
66 8, 6 | mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig
67 18, 24| Here zijn aangezicht zal afkeren.~
68 50, 21| Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de
69 46, 7 | tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde hij die
70 23, 22| brood zoet; hij zal niet aflaten totdat hij zijn einde neemt.~
71 35, 3 | Heren welbehagen dat men afsta van boosheid, en afstaan
72 35, 3 | men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening.~
73 30, 7 | 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden,
74 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf:
75 47, 28| 28 Dat zij afvallig werden van het land, totdat
76 27, 1 | vermeerderen, zal zijn oog afwenden.~
77 26, 29| beschouwd worden als bekwaam tot afwering der vijanden; en een ieders
78 27, 23| wie die kent zal van hem afwijken.~
79 41, 24| brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~
80 38, 41| 41 In het algemeen, niemand wordt wijs behalve
81 50, 14| des Allerhoogsten en des almachtigen,~
82 19, 19| der wet, en kennis zijner almogendheid. Een huisknecht zeggende
83 10, 34| ongeëerd is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~
84 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal
85 40, 17| zich genoegen laat, en des arbeiders, is zoet, maar die een schat
86 37, 20| 20 Daar is menig arglistig man, een onderwijzer van
87 19, 23| 23 Daar is een vlijtige arglistigheid, en ze is onrechtvaardig,
88 21, 24| versiersel, en gelijk een armband aan de rechterarm.~
89 26, 31| een krijgsman ten laatste armoe gaat lijden; en indien verstandige
90 48, 24| Hij sloeg het leger der Assyriërs, en zijn engel vermorzelde
91 18, 26| morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al
92 36, 28| herberg waar hij ook des avonds is.~ ~
93 16, 30| van alle gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~
94 50, 22| 22 En zij baden ten tweeden male aan, om
95 22, 19| 19 Gelijk een houten band, vast ingebonden in een
96 2, 13| Here is een ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid,
97 18, 4 | wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen?~
98 19, 10| want het zal u niet doen barsten.~
99 16, 27| maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken,
100 25, 7 | degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad!~
101 27, 12| maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~
102 40, 28| 28 Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan
103 40, 31| des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik
104 40, 28| het is beter sterven dan bedelen.~
105 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn gelijk een storm
106 32, 19| welberaden man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en
107 45, 19| en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam
108 13, 4 | doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~
109 23, 30| zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen
110 13, 7 | hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u
111 37, 3 | gij gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken?~
112 30, 9 | speel met hem, en het zal u bedroeven.~
113 3, 26| heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft
114 19, 6 | 6 Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet
115 25, 21| dat zij ziet gelijk een beer.~
116 10, 12| wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte
117 49, 5 | hebben zij allen misdaden begaan.~
118 6, 37| uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden.~ ~
119 24, 22| herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt u van mijn
120 18, 30| na, maar bedwing u van uw begeerten.~
121 42, 28| zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd te worden
122 18, 32| lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad.~
123 24, 34| mijn op. recht tuinbeddeken begieten.~
124 16, 27| versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten;
125 38, 16| behoren, en veracht zijn begrafenis niet.~
126 44, 15| Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht
127 6, 1 | die tweetongig is, oneer behalen.~
128 33, 30| gij een huisknecht hebt, behandel hem gelijk een broeder,
129 49, 9 | Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam
130 45, 11| 11 En heeft hem rondom behangen met granaatappelen, en zeer
131 2, 13| vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~
132 38, 1 | EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt;
133 33, 30| gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
134 16, 20| overdenkt deze dingen niet behoorlijk.~
135 38, 16| omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis
136 23, 5 | ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die u altijd wil dienen;
137 4, 27| in de geschikte tijd der behouding;~
138 28, 5 | 5 Hij, vlees zijnde, behoudt vijandschap en wie zal zijn
139 51, 24| het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal geenszins
140 17, 19| 19 Bekeer u dan tot de Here, en verlaat
141 48, 16| 16 Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond
142 20, 1 | zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard
143 13, 26| nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft
144 31, 1 | verdwijnen, en daarover bekommerd zijn, vermindert de slaap.~
145 20, 20| hij spreekt die niet op de bekwame tijd.~
146 18, 22| uw belofte te betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot
147 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid
148 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij mij een
149 18, 22| Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter bekwamer
150 44, 22| heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de vol ken zou
151 20, 23| 23 Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte,
152 51, 26| mijn onwetendheden van haar bemerkt.~
153 4, 11| Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen dan uw moeder doet.~
154 41, 27| te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd,
155 42, 11| en zijn zorg voor haar beneemt de slaap.~
156 9, 17| u niet terstond uw leven beneme.~
157 26, 14| haar wetenschap maakt zijn benen vet.~
158 24, 26| daar is geen Zaligmaker benevens hem.~
159 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft,
160 31, 29| 29 De oven beproeft hetgeen door indompeling
161 6, 22| gelijk een harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven
162 12, 15| maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~
163 37, 17| het werk is de rede, en beraadslaging gaat voor alle handeling
164 37, 13| deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij
165 18, 8 | een ieder kan van niemand berekend worden.~
166 47, 3 | onder geitebokjes, en onder beren, gelijk onder lammeren.~
167 50, 26| hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die
168 11, 7 | 7 Berisp niet eer gij onderzocht
169 18, 15| zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met
170 46, 14| worde in de zonen van hun beroemde ouders.~
171 22, 7 | verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele
172 33, 19| geen ander, opdat gij niet berouw hebbende daarom behoeft
173 32, 20| gedaan hebt, laat het u niet berouwen.~
174 42, 14| volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van lieden.~
175 22, 30| 30 Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen,
176 51, 2 | uw naam, dat gij mij een beschermer en helper geweest zijt,
177 9, 8 | van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid.~
178 26, 29| dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering
179 22, 1 | is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift
180 35, 12| 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou
181 8, 14| opdat hij uw mond niet bespiede.~
182 11, 31| hovaardigen, en gelijk een bespieden die daarover komt om te
183 34, 19| offert, diens offerande is bespottelijk, en de gaven der goddelozen
184 33, 6 | 6 Een vriend, die een bespotter is, is gelijk een springhengst,
185 27, 13| verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.~
186 20, 1 | HOE veel beter is het te bestraffen dan heimelijk gram te zijn;
187 6, 9 | het openbaar met verwijt bestrijden zal.~
188 20, 31| zoekt, dan zonder Here een bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~
189 39, 15| leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend
190 37, 15| man pleegt somtijds wat beters te verkondigen, dan zeven
191 27, 9 | weder tot degenen, die haar betrachten.~
192 6, 36| vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van
193 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd geworden?~
194 36, 28| in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen
195 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, en zijn
196 18, 33| daar gij niets hebt in de beurs, want anders zult gij een
197 24, 8 | 8 Toen beval mij de schepper aller dingen,
198 26, 14| 14 De bevalligheid der vrouw vermaakt haar
199 43, 26| 26 Die de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan,
200 29, 3 | 3 Bevestig uw woord en zijt hem getrouw
201 38, 40| niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en
202 31, 24| waarheid mijner woorden bevinden.~
203 16, 19| geschud onder elkander door beving, als de Here daarop ziet.~
204 22, 7 | ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun
205 33, 16| door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld
206 20, 27| 27 Een wijze bevordert zichzelf door woorden, en
207 2, 14| 14 Wee de bevreesde harten, en de slappe handen
208 43, 22| blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle
209 43, 21| aarde gelijk zout, welke bevroren zijnde wordt gelijk de punten
210 34, 17| bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een
211 22, 10| licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het
212 40, 5 | nijdigheid, ontroering en beweging, en vrees des doods, en
213 50, 24| dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en
214 38, 3 | bij de groten is hij in bewondering.~
215 10, 2 | zo zijn allen die deze bewonen.~
216 10, 3 | door verstand der machtigen bewoond worden.~
217 16, 5 | zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht
218 30, 1 | de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van
219 14, 22| zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar verborgenheden
220 22, 15| geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid
221 32, 2 | 2 Bezorg hen, en zet u zo neder.~
222 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de
223 5, 17| 17 Want een bezwaarlijke schaamte komt over een dief,
224 26, 6 | opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker dan de dood.~
225 21, 27| deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.~
226 8, 18| stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn
227 12, 13| zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten
228 49, 6 | de koningen van Juda zijn bezweken.~
229 10, 10| 10 Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop,
230 46, 11| gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat
231 41, 15| verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten
232 21, 10| goddelozen is gelijk werk dat bijeen vergaderd is, en haar voleinding
233 51, 9 | geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen, en daar was
234 30, 10| ten laatste op uw tanden bijt.~
235 23, 16| midden der groten zult gij bijzitten.~
236 14, 19| 19 Gelijk een groenend blad op een dichte boom; enige
237 6, 3 | 3 Gij zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven,
238 48, 17| 17 En daar bleef een klein volk over, en
239 7, 24| stel uw aangezicht niet blijde tegen haar.~
240 30, 16| daar is geen vreugde boven blijdschap des harten.~
241 26, 4 | vrolijk aangezicht en zijn blijmoedig.~
242 42, 6 | huisknecht zijn zijde doet bloeden.~
243 27, 15| twist der hovaardigen brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk
244 51, 19| over een druif die na het bloeisel rijp wordt.~
245 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen,
246 43, 28| 28 Door hem is zijn bode voorspoedig, en door zijn
247 20, 7 | die bestraft is geworden, boet vaardigheid bewijst? want
248 17, 18| 18 Doch de boetvaardige heeft bij gegeven weder
249 44, 17| geslacht een voorbeeld der boetvaardigheid te zijn.~
250 39, 21| het woord van zijn mond de boezem der wateren.~
251 50, 6 | tijd, en gelijk de regen boog de heerlijke wolken verlicht.~
252 11, 34| 34 Wacht u voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen;
253 45, 12| purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht,
254 26, 19| schone voeten aan een vaste borst.~
255 22, 19| vast ingebonden in een ge bouw, niet los gaat door een
256 48, 19| rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben.~
257 49, 9 | verderven; van gelijken om te bouwen en te planten.~
258 46, 7 | 7 Hij brak uit met oorlog tegen de
259 48, 1 | een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel.~
260 23, 20| hittige ziel is gelijk een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust
261 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod nut? want hij eet
262 28, 11| vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer het gekijf wordt
263 1, 3 | hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en de afgrond,
264 30, 12| zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij
265 48, 22| Here, de ontfermer, aan, en breidden hun handen tot hem uit.~
266 33, 6 | gelijk een springhengst, hij briest onder een ieder, die op
267 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor de hals van een os,
268 38, 35| gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~
269 43, 18| blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind, en de wervelwind.~
270 19, 25| 25 Hij bukt het aangezicht, en maakt
271 38, 41| de wet des Allerhoogsten.~c~
272 50, 13| broeders, gelijk spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden
273 24, 13| verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en gelijk een
274 49, 10| hem toonde in de wagen der cherubim.~
275 39, 19| gezang der lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging:~
276 45, 17| slachtofferg werden des daags tweemaal gedurig geheel
277 43, 19| nederwaarts vliegen, en ze daalt af gelijk de sprinkhanen,
278 13, 24| arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten.~
279 10, 22| liefhebben een kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten,
280 13, 1 | DIE pek aanroert, wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige
281 7, 28| zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in gelijkheid van
282 24, 14| verhoogd geworden gelijk een dadelboom te Engedi, en gelijk een,
283 18, 3 | en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?~
284 47, 11| zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen,~
285 24, 36| onderwijzing jichten als de dageraad, en doe ze schijnen tot
286 34, 24| bloed, die het loon van de dagloner rooft.~
287 43, 4 | bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren
288 30, 6 | zal, en de vrienden weder dankbaar zal zijn.~
289 37, 12| een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige
290 51, 16| prijzen, en zal uw naam danken.~
291 26, 29| getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd
292 31, 22| buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadelijk
293 27, 13| en hun lachen bestaat in dartelheid der zonde.~
294 45, 22| woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de
295 51, 36| 36 Weest deelachtig de onderwijzing met een
296 17, 14| de tucht op voedt, en hij deelt hem mede het licht der liefde,
297 29, 26| leven des armen onder een deksel van planken, is beter dan
298 17, 5 | vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor het
299 47, 24| 24 Hij delgde de nakomelingen van zijn
300 10, 29| 29 Denk niet wijs te zijn als gij
301 3, 30| Het hart des verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor
302 6, 2 | gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.~
303 7, 12| broeder, en doe uw vriend desgelijken niet.~
304 17, 1 | geschapen, en heeft hem weder in dezelve doen terugkeren.~
305 44, 11| 11 Doch dezen zijn mannen der barmhartigheid,
306 16, 15| hij onderscheiden met een diamantsteen.~
307 50, 9 | gouden vat, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei
308 14, 19| een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af,
309 41, 27| te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed.~
310 22, 8 | wekt de slapende uit een diepe slaap.~
311 51, 8 | mijn leven was nabij het diepste graf.~
312 13, 18| 18 Ieder dier heeft zijns gelijke lief,
313 41, 23| vreemdeling woont, vanwege dieverij;~
314 19, 15| Bestraf uw vriend, want dikwijls geschiedt er ijdele lastering.~
315 10, 34| hoeveel te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd
316 46, 19| 19 En de Here donderde van de hemel; en maakte
317 46, 19| door de grote weerklank des donders;~
318 45, 5 | heeft hem ingevoerd in het donker;~
319 22, 29| gaan scheldwoorden voor de doodslag.~
320 34, 22| daarvan berooft, is een doodslager.~
321 34, 23| 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn
322 38, 28| gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.~
323 23, 9 | zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de
324 9, 18| het midden der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad
325 12, 17| helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~
326 28, 28| omtuin hetgeen gij bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren
327 39, 5 | land van vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat
328 12, 12| wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.~
329 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht, noch de boze vrouw vrijheid
330 23, 27| nadat ze zijn voleindigd, doorziet hij ze alle.~
331 51, 25| hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.~
332 6, 3 | en uzelf laten als een dorre boom.~
333 26, 13| Gelijk een reizende man dorstende, de mond opent als hij een
334 19, 25| aangezicht, en maakt de dove; indien gij hem niet gewaar
335 6, 31| banden zijn een hyacinten draad.~
336 25, 20| te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een boze
337 19, 17| Bestraf uw naaste eer gij dreigt, en geef de wet des Allerhoogsten
338 26, 31| indien verstandige mannen als drek geacht worden;~
339 15, 3 | der wijsheid zal zij hem drenken.~
340 25, 3 | 3 Drieërlei soort van mensen haat mijn
341 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat
342 9, 13| hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging.~
343 38, 18| en troost u vanwege de droefenis.~
344 50, 4 | 4 Hij droeg zorg voor zijn volk, dat
345 25, 27| neergebogen hart, en een droevig aangezicht, en een harteplaag.~
346 39, 26| gelijk een watervloed het droge land dronken maakt;~
347 19, 1 | 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden,
348 31, 34| 34 De dronkenschap des onwijzen vermeerdert
349 35, 23| de wolken in de tijd der droogte.~ ~
350 18, 9 | 9 Gelijk een droppel water is te rekenen tegen
351 1, 2 | zal het zand der zee en de droppelen van de regen en de dagen
352 51, 19| geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel rijp
353 46, 18| hem zijn vijanden rondom drukten, en offerde een melklam;~
354 21, 22| boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand.~
355 6, 6 | leven, doch heb maar een van duizenden die uw raadgever zij.~
356 50, 17| de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank
357 29, 28| daar zult gij de mond niet durven opendoen.~
358 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een
359 51, 17| nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar
360 11, 16| 16 Dwaling en duisternis zijn met de
361 44, 22| Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de vol
362 23, 15| uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld der
363 1, 7 | 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk,
364 16, 3 | 3 Want één rechtvaardige is beter dan
365 25, 2 | 2 Door eendracht der broederen en vriendschap
366 32, 11| donder heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid.~
367 26, 25| man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien.~
368 14, 21| wijsheid betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand
369 24, 30| 30 De eerste heeft haar niet volkomen
370 45, 25| gegeven, de eerstelingen der eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven.~
371 48, 25| gelijk Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn gezicht
372 24, 21| met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij
373 50, 20| de ontfermer, totdat vol eindigd was het versiersel des Heren,
374 45, 28| En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijk
375 48, 13| werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige
376 26, 13| zo zal zij zich tegenover elke paal nederzetten en de pijlkoker
377 21, 20| de gemeente gezocht, en elkeen overdenkt zijn woorden in
378 41, 24| waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood,
379 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit het ene huis in
380 5, 12| daarbij, en uw woord zij enerlei.~
381 24, 14| gelijk een dadelboom te Engedi, en gelijk een, rozeboom
382 48, 24| leger der Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen.~
383 21, 18| gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het achter zijn rug.~
384 7, 13| 13 Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig plegen
385 28, 30| Neemt acht dat gij niet enigszins daarin struikelt, opdat
386 26, 3 | goede vrouw is een goed erf deel, en wordt tot een deel
387 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding
388 17, 19| aangezicht, en verminder de ergernis.~
389 32, 4 | dat betaamt u, doch met ernstige wetenschap, en gij zult
390 25, 8 | 8 Grote ervarenheid is een kroon der ouden,
391 23, 29| haar man verlaat, en een erve van een ander bekomt.~
392 24, 28| vervult het verstand gelijk de Eufraat, en gelijk de Jordaan in
393 34, 3 | dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht
394 17, 3 | en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt.~
395 20, 17| daarvan is hem desgelijks evenveel.~
396 49, 10| 10 Ezechiël is het, die een heerlijk
397 33, 24| 24 Voor een ezel behoort voeder, en een stok
398 13, 22| 22 Gelijk de wilde ezels der leeuwen jacht zijn in
399 48, 1 | zijn woord brandde als een fakkel.~
400 16, 15| zijn werken. De Here heeft Faraö verhard, dat hij hem niet
401 43, 7 | heeft men een teken van het feest, zij is een licht dat geheel
402 14, 1 | ZALIG is de man die niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld
403 43, 1 | 1 HET zuivere firmament is een roem der hoogte;
404 40, 20| 20 De fluit en het snarenspel geven
405 48, 19| rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben.~
406 19, 24| is er die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte klederen,
407 19, 1 | het weinige versmaadt, zal gaandeweg vervallen.~
408 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen,
409 38, 31| en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt
410 34, 2 | zo is hij die de dromen gadeslaat.~
411 24, 17| 17 Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en
412 19, 28| lachen der tanden, en de gang der mensen, verkondigen
413 23, 1 | Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat mij niet
414 7, 27| 27 Eer uw vader van ganser harte, en vergeet niet de
415 29, 29| 29 Gij zult gasten hebben en te drinken geven
416 3, 5 | en zal in de dag zijns gebeds verhoord worden.~
417 49, 18| steunsel des volks, en zijn gebeenten zijn bezocht door de Here.~
418 12, 13| bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot
419 39, 20| zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in zijn tijd;
420 2, 12| Of wie is in zijn vreze gebleven en verlaten geworden? of
421 8, 3 | heeft de harten der koningen gebogen.~
422 23, 17| geweest, en zoudt de dag uwer geboorte vervloeken.~
423 42, 30| ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt.~
424 21, 16| van de dwaas is gelijk een gebroken vat, het zal geen kennis
425 26, 11| ruimte vindt, deze voor zich gebruikt.~
426 19, 24| die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte klederen, en het
427 41, 8 | gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen der goddelozen te zamen
428 38, 21| droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde;~
429 50, 12| 12 En als hij de gedeelten der offeranden uit de hand
430 3, 32| die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende,
431 44, 6 | en verhaalden beschreven gedichten.~
432 24, 10| in zijn tegenwoordigheid gediend;~
433 30, 24| heeft er velen verdorven en gedood.~
434 6, 17| 17 Die de Here vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap;
435 21, 11| de zondaar is van stenen geëffend, doch aan het uiterste daarvan
436 50, 20| Heren, en zij zijn dienst geëindigd hadden.~
437 39, 32| 32 Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen
438 23, 28| stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet
439 23, 30| tweede heeft zij kwalijk gehandeld jegens haar man, en ten
440 7, 26| en geef u zelf aan een gehate niet over.~
441 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en
442 24, 11| in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij insgelijks
443 29, 31| mijn broeder is bij mij geherbergd.~
444 20, 21| 21 Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek,
445 46, 13| welker aller hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd
446 29, 4 | genen moeite aan, die hen geholpen hebben.~
447 37, 12| huurling, die gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding
448 45, 28| heerlijk heid, omdat hij had geijverd in de vreze des Heren.~
449 47, 3 | verkeerde hij gelijk onder geitebokjes, en onder beren, gelijk
450 32, 10| lieden zijn, heb niet veel gekakel.~
451 28, 11| het brandt; hoe meer het gekijf wordt gesterkt, hoe meer
452 38, 17| bitter, en wees vurig in het geklag;~
453 45, 11| om geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht
454 40, 4 | degene, die met grof lijnwaad gekleed is.~
455 51, 28| begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten
456 12, 11| zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en
457 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat
458 18, 33| 33 Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar
459 10, 9 | onrechtvaardiger dan een geldgierige.~
460 51, 36| onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult gij in
461 38, 16| wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam
462 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen
463 6, 8 | is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij
464 17, 20| ongerechtigheid, want hij zal u geleiden uit de duisternis in een
465 18, 23| Bereid uzelf eer gij uw gelofte doet, en wees niet gelijk
466 36, 18| en maak dat uw profeten geloofd worden.~
467 19, 16| Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen struikelt in een
468 1, 13| vrezen, en zij is met de gelovigen tezamen geschapen in 's
469 26, 1 | 1 GELUKKIG is de man, die een goede
470 8, 10| leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen.~
471 23, 28| waar hij het niet heeft gemeend.~
472 33, 9 | gesteld tot het getal der gemene dagen.~
473 49, 1 | Josia, is als een tezamen gemengd reukwerk, toebereid door
474 47, 20| der ganse aarde, die bij genaamd wordt de God van Israël,
475 38, 9 | bid de Here, en hij zal u genezen.~
476 16, 11| geselende, ontfermende, slaande, genezende; indien dan een hardnekkige
477 19, 18| onsterfelijkheid tot vrucht genieten.~
478 5, 1 | en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.~
479 12, 14| uur bij u blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt
480 39, 36| En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, en wan
481 47, 26| dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm,
482 22, 28| erfdeel moogt erven, want de geringe staat is niet altijd te
483 17, 18| keren, en heeft tot zich geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~
484 37, 3 | gedachte, vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij
485 45, 11| geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon
486 50, 17| er gehoord werd een groot geschal, tot een gedachtenis voor
487 44, 25| gegeven, en heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld
488 20, 29| 29 Gaven en geschenken verblinden de ogen der wijzen,
489 5, 4 | gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here is lankmoedig,
490 48, 28| verborgen dingen eer ze geschiedden.~ ~
491 4, 27| Weer het woord niet in de geschikte tijd der behouding;~
492 17, 5 | heeft hij hun het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven,
493 35, 16| weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft
494 45, 13| waarin tot een gedachtenis geschreven en gegraveerd was het getal
495 16, 19| der aarde worden tegelijk geschud onder elkander door beving,
496 16, 11| en kastijding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende;
497 26, 7 | jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen overbrengt,
498 30, 18| Opgesloten goederen bij een gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten
499 41, 10| overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.~
500 50, 17| zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank
501 51, 12| ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood.~
|