Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg

                                                     bold = Main text
     Chapter, Verse                                  grey = Comment text
502 47, 25| David een wortel uit hem gesproten.~ 503 6, 36| hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~ 504 38, 35| arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt 505 50, 9 | en met allerlei kostelijk gesteente versierd is;~ 506 43, 10| des hemels is dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in 507 33, 12| vernederd en ze van hun staat af gestort.~ 508 51, 25| ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt 509 1, 8 | haar gezien en heeft haar geteld.~ 510 26, 29| 29 Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper 511 35, 18| wolken, en hij wordt niet getroost, totdat hij nabij gekomen 512 9, 10| 10 Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~ 513 34, 8 | volbracht, en wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.~ 514 37, 14| harten, want gij hebt niemand getrouwer dan hem.~ 515 41, 20| worden niet door allen in getrouwheid goed gekend.~ 516 45, 21| der rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door 517 45, 13| 13 Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig 518 23, 7 | in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper 519 28, 12| het vuur, en een haastend gevecht vergiet bloed.~ 520 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet met monden der mensen: 521 22, 23| het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn.~ 522 46, 4 | oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~ 523 27, 9 | 9 Het gevogelte nestelt bij zijns gelijken, 524 32, 8 | lijks, indien gij tweemaal gevraagd wordt.~ 525 40, 7 | verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~ 526 24, 5 | de diepte der afgronden gewandeld.~ 527 34, 27| 27 Als iemand is gewassen nadat hij een dode heeft 528 46, 6 | verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke hagelstenen.~ 529 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die 530 21, 28| voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~ 531 23, 17| wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en gij 532 22, 3 | hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter 533 47, 14| heeft het volk in ruimte gewoond.~ 534 27, 2 | verkopen en kopen worden gewreven.~ 535 23, 28| zal op de straten der stad gewroken worden, en gegrepen worden 536 40, 21| maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide.~ 537 46, 21| hij voor de Here, en zijn gezalfden, zeggende: Geld, ook tot 538 40, 27| des Heren is gelijk een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid 539 40, 22| 22 Een vriend en zijn gezel komen elkander tegemoet 540 11, 5 | koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht 541 37, 13| geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk gij, en indien 542 31, 21| zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig ingewand, 543 23, 12| 12 En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd 544 14, 9 | 9 Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, 545 18, 18| weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet 546 24, 29| een licht, en gelijk de Gihon in de tijd wanneer men de 547 38, 23| zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.~ 548 43, 4 | dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen 549 26, 18| op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid 550 11, 33| een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en 551 6, 35| hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat 552 1, 25| der wetenschap, maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel.~ 553 3, 18| verlaat, die is gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot 554 49, 4 | vaardigen versterkte bij de godvrezendheid.~ 555 16, 14| en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven.~ 556 42, 17| een man is beter dan een goeddadige vrouw, namelijk een vrouw 557 17, 16| Here, doch de Here zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, 558 29, 21| heeft hen bewogen gelijk een golf der zee.~ 559 47, 5 | des slingers de trots van Goliath terneder te werpen.~ 560 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, 561 14, 12| vertoeven, en het verbond des grafs is u niet getoond.~ 562 20, 1 | bestraffen dan heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde 563 45, 11| hem rondom behangen met granaatappelen, en zeer veel gouden schelletjes 564 45, 13| goud ingevat, een werk des graveerders; waarin tot een gedachtenis 565 18, 9 | water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan 566 28, 29| voor uw mond een deur en grendel.~ 567 28, 28| maak voor uw mond deuren en grendelen.~ 568 34, 2 | een die naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo 569 48, 19| het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met 570 43, 23| de woestijn, en blust het groene gras uit, gelijk het vuur.~ 571 13, 30| en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht.~ 572 41, 25| u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; 573 40, 4 | als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.~ 574 10, 18| en verderft ze tot op de grond der aarde.~ 575 8, 8 | niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen 576 44, 20| 20 Abraham is geweest een grootvader van menigte der volken, 577 11, 6 | 6 Vele machtigen zijn grotelijks onteerd geworden, en vele 578 3, 20| 20 Hoe groter gij zijt, verneder uzelf 579 50, 12| zo stond hij zelf bij de haard van het altaar.~ 580 42, 13| misschien ontreinigd, en in haars vaders huis zwanger worde, 581 28, 12| ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht vergiet bloed.~ 582 50, 18| 18 Dan haastte al het volk in het gemeen, 583 27, 20| vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste verlaten, 584 6, 25| boeien, en uw hals in haar halsijzer.~ 585 6, 30| sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd.~ 586 50, 21| Hogepriester, afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente 587 50, 23| schoot af, en die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.~ 588 38, 35| zijn voeten buigt hij zijn hardheid.~ 589 16, 11| genezende; indien dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, 590 6, 26| en draag haar, en wordt harer banden geen vijand.~ 591 27, 17| 17 Heb uw vriend hartelijk lief en zijt hem getrouw.~ 592 6, 21| zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar.~ 593 25, 27| droevig aangezicht, en een harteplaag.~ 594 26, 7 | allen overbrengt, die is een hartzeer en droefheid.~ 595 38, 7 | 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn 596 5, 4 | lankmoedig, hij zal u niet laten heengaan.~ 597 31, 23| zijt, sta op midden door heengaande; geef over, en gij zult 598 34, 28| vanwege zijn zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal 599 51, 20| 20 Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik 600 10, 25| De roem eens rijken, en heerlijken, en armen, is de vreze des 601 17, 4 | en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, 602 23, 1 | 1 O Here, Vader en Heerser des gansen levens, verlaat 603 45, 14| een uitgedrukt zegel der heiligheid, een heerlijke roem, machtige 604 7, 33| schouderen, en de offerande der heiliging, en de eerstelingen der 605 17, 8 | uitverkorenen zullen de naam zijner heiligmaking prijzen.~ 606 35, 1 | offert een slachtoffer des heils.~ 607 8, 21| 21 Doe niets heimelijks voor een vreemde, want gij 608 36, 27| 27 Waar geen heining is, daar wordt hetgeen men 609 29, 7 | zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen 610 45, 12| Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk 611 32, 1 | wees bij hen als een van henlieden.~ 612 18, 13| leert, en bekeert gelijk een herder zijn kudde.~ 613 19, 7 | 7 Herhaal een rede nimmermeer, en 614 24, 13| cypresseboom op de bergen van Hermon.~ 615 34, 28| zonden, en weder heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed 616 26, 4 | man is goed tot de Here. hetzij dat hij rijk of arm is, 617 19, 12| Gelijk een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, 618 1, 22| gerechtvaardigd worden, want de hevigheid zijns toorns is hem ten 619 50, 21| 21 Dan hief Simon, de Hogepriester, 620 12, 17| die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven.~ 621 45, 22| het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, 622 46, 6 | grote Here verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke hagelstenen.~ 623 27, 7 | niemand eer hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd.~ 624 39, 37| ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden, en heb 625 51, 32| vertraagt gij? of wat zegt gij hiertoe? zo toch uw zielen zeer 626 32, 14| 14 En dank hiervoor Hem die u gemaakt heeft, 627 31, 21| wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft 628 18, 22| 22 Laat u niet hinderen uw belofte te betalen ter 629 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een brandend 630 9, 3 | 3 Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij 631 24, 34| gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, en mijn op. recht 632 24, 24| Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen 633 4, 2 | 2 Bedroef de hongerige ziel niet, en stel niemand 634 18, 25| 25 Gedenk aan de tijd des hongers, in de tijd der volheid, 635 24, 23| honig, en mijn erfenis dan honigraat.~ 636 36, 12| 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten der volken, 637 3, 21| 21 Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de 638 48, 20| en pochte zeer in zijn hoogmoed.~ 639 2, 8 | Gij die de Here vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging 640 5, 5 | gij zonden op zonden zoudt hopen.~ 641 48, 7 | bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen der wraak.~ 642 50, 3 | metalen vat gelijk de zee, houdende driemaal zo veel.~ 643 22, 19| 19 Gelijk een houten band, vast ingebonden in 644 25, 4 | 4 Namelijk een arme, die hovaardig is, en een rijke, die een 645 47, 8 | tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn 646 29, 10| en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.~ 647 32, 3 | zo rust, opdat gij van hunnentwege verheugd zijt, en om wel 648 40, 9 | goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen.~ 649 6, 31| en haar banden zijn een hyacinten draad.~ 650 13, 21| 21 Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en 651 33, 27| 27 Drijf hem tot het i werk, opdat hij niet ledig 652 36, 23| 23 Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter 653 26, 29| afwering der vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in 654 48, 2 | zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat hunner weinig 655 28, 23| 23 Want haar juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn 656 38, 31| aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur 657 12, 2 | en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste.~ 658 34, 5 | dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, gelijk het hart 659 31, 29| oven beproeft hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook 660 33, 18| regeert, laat het tot uw oren ingaan.~ 661 22, 19| Gelijk een houten band, vast ingebonden in een ge bouw, niet los 662 33, 15| tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken 663 45, 13| gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk des graveerders; 664 31, 21| gezonde slaap, met een matig ingewand, hij staat des morgens vroeg 665 23, 14| zullen in de zonden niet ingewikkeld worden.~ 666 35, 18| de Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige 667 23, 5 | buiks, en de bij slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, 668 24, 11| geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten, en in Jeruzalem 669 43, 2 | opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk des Allerhoogsten.~ 670 40, 9 | twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en der verplettering, 671 16, 5 | verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht 672 45, 21| gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten, om Jakob 673 44, 24| En alzo heeft hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns 674 22, 24| onder de vogelen werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend 675 30, 3 | die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in tegenwoordigheid 676 29, 15| ze zal u redden uit alle jammer.~ 677 46, 9 | hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, 678 49, 8 | gemaakt door de hand van Jeremia.~ 679 24, 14| gelijk een, rozeboom te Jericho.~ 680 47, 27| 27 Toen kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die 681 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die 682 24, 36| Want ik doe de onderwijzing jichten als de dageraad, en doe 683 51, 17| 17 Als ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, 684 32, 8 | 8 Spreek gij jongeling, als het u van node is, 685 24, 28| de Eufraat, en gelijk de Jordaan in de dagen van de oogst.~ 686 49, 14| 14 Alzo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis 687 49, 17| is geen man geweest als Jozef, een leidsman zijner broederen,~ 688 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk 689 4, 33| 33 Kamp voor de waarheid tot in 690 26, 18| het licht op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de 691 24, 16| mij gegeven, gelijk als kaneel en gelijk een reukbal, en 692 32, 6 | gelijk een zegel van een karbonkel op een gulden sieraad.~ 693 31, 27| en de getuigenis zijner karigheid is scherp.~ 694 44, 22| beloofd, dat hij de vol ken zou zegenen in zijn zaad;~ 695 16, 15| verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden 696 17, 16| goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven 697 13, 3 | zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan 698 20, 25| 25 Een dief is te kiezen voor een die steeds liegt, 699 21, 26| over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed 700 35, 15| de weduwe indien zij haar klaag rede tot hem uitstort.~ 701 46, 21| ontvangen; en geen mens klaagde over hem.~ 702 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede, en 703 38, 32| 32 De klank van de hamer en het aanbeeld 704 25, 24| een oud man, alzo is een klapachtige vrouw voor een stil man.~ 705 24, 26| opdat hij u krachtig make; kleeft hem aan; de Almachtige Here 706 22, 18| 18 Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter om te 707 20, 19| mens is als een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten 708 23, 5 | innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd 709 25, 28| maakt trage handen en slappe knieën.~ 710 22, 2 | 2 Een luie is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem 711 38, 27| maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.~ 712 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars niet, opdat 713 45, 11| gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot 714 45, 31| van Juda het erfdeel des konings heeft, en komt van de ene 715 47, 13| gegeven het verbond des koninkrijks, en de troon der heerlijkheid 716 11, 31| gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, 717 11, 33| vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een 718 10, 10| biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen 719 42, 5 | 5 Noch dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk verkoopt, 720 27, 2 | zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.~ 721 12, 10| 10 Want gelijk het koper verroest, zo ook zijn boosheid.~ 722 45, 22| hielden, en de vergadering van Korach, met grimmigheid en toorn.~ 723 32, 9 | 9 Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden 724 11, 23| de godvrezende; en in een korte tijd doet hij zijn zegen 725 31, 23| 23 En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden 726 50, 9 | geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is;~ 727 43, 22| 22 Wanneer de koude noordenwind blaast, en het 728 12, 6 | genen bewaart hij tot de krachtige dag der wraak. Geef degene 729 7, 37| traag in het bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult 730 45, 27| had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, 731 48, 21| harten en handen bewogen, en kregen weedom gelijk de barende 732 6, 34| horen, zo zult gij verstand krijgen, en indien gij uw oor zult 733 26, 29| leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~ 734 26, 31| 31 Als een krijgsman ten laatste armoe gaat lijden; 735 43, 13| hemel met een heerlijke kring, de handen des Allerhoogsten 736 38, 19| en droefheid des harten kromt de sterken.~ 737 19, 5 | wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.~ 738 10, 12| mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.~ 739 18, 13| bekeert gelijk een herder zijn kudde.~ 740 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, 741 26, 16| gewicht dat waardig is haar kuise ziel.~ 742 9, 21| 21 Door de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, 743 45, 13| getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, van kostelijke 744 29, 5 | Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, 745 19, 5 | Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar 746 30, 21| ziel niet tot droefheid, en kwel uzelf niet door uw eigen 747 14, 7 | het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen 748 32, 12| wakker, en zijt niet van de laatsten; loop heen naar huis, en 749 30, 10| 10 Lach niet met hem, opdat u geen 750 48, 20| op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn hand tegen 751 13, 20| een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen 752 47, 3 | onder beren, gelijk onder lammeren.~ 753 7, 15| moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste 754 47, 19| 19 De landschappen waren verwonderd over uw 755 5, 13| geef een recht antwoord met lankmoedigheid.~ 756 45, 12| een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare 757 28, 10| vrede hebben, werpt hij laster in.~ 758 11, 30| huis, want de lagen van de lasteraar zijn vele.~ 759 51, 3 | 3 En van de strik der lasterende tong; van de lippen dergenen 760 30, 14| gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter dan een 761 38, 25| goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig 762 33, 27| hij niet ledig ga, want de ledigheid leert veel kwaads.~ 763 5, 4 | Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de 764 28, 14| verdorven, die in vrede leefden.~ 765 29, 1 | barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt 766 24, 29| tijd wanneer men de druiven leest.~ 767 21, 3 | 3 Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen der 768 40, 22| elkander tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met 769 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs, en zijn engel 770 43, 9 | 9 Zij is een vat hetwelk legerplaats heeft in de hoogte, schijnende 771 11, 30| 30 Leid niet een ieder in uw huis, 772 48, 19| maakte zijn stad vast, en leidde water in het midden daarvan; 773 44, 5 | 5 Leiders van het volk in de raadslagen, 774 14, 4 | zullen van zijn goederen lekker leven.~ 775 39, 18| een bloem voort gelijk een lelie; geeft een reuk van u, en 776 50, 7 | nieuwe bloemen; gelijk als de leliën aan de oorsprong van het 777 20, 24| 24 De leugen is een lelijke schandvlek in een mens, 778 13, 5 | zal hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, 779 20, 15| 15 Heden zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de 780 24, 37| 37 Want ik giet lering uit gelijk een profetie, 781 41, 26| hetgeen hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man 782 15, 8 | verre van hovaardigheid, en leugenaars gedenken aan haar gans niet.~ 783 51, 3 | van de lippen dergenen die leugens oefenen; en tegen degenen 784 44, 7 | met sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen.~ 785 45, 7 | broeder, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat 786 30, 16| beter dan gezondheid des lichaams, en daar is geen vreugde 787 41, 25| het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat gij uw aangezicht 788 32, 21| niet op de weg waarop men lichtelijk valt, en gij zult tegen 789 43, 10| heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen des 790 22, 18| en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig 791 19, 4 | haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn 792 47, 24| zaad desgenen, die hem had liefgehad, niet weg.~ 793 7, 13| 13 Wil niet liegen enigerlei leugen, want gedurig 794 20, 25| kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden zullen zij 795 47, 26| rustte met de vaderen, en liet na van zijn zaad een zeer 796 25, 20| 20 Ik heb liever te wonen bij een leeuw en 797 51, 11| 11 Dat gij degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen 798 30, 14| die gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter 799 45, 10| onderbroeken, lange rok, en lijfrok;~ 800 32, 8 | node is, en zulks nauwe lijks, indien gij tweemaal gevraagd 801 22, 8 | Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt 802 40, 4 | bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is.~ 803 14, 22| gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.~ 804 39, 18| reuk van u, en zingt een lofzang.~ 805 47, 10| geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die 806 51, 14| prijzen zonder ophouden, en u lofzingen met dankzegging, en mijn 807 39, 40| 40 En nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, 808 43, 12| 12 Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, 809 26, 9 | vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote toorn, 810 33, 31| en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult gij hem zoeken?~ ~ 811 27, 20| gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt, zo hebt gij uw naaste 812 14, 15| moeite tot verdeling des lots?~ 813 4, 34| niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~ 814 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken bij een 815 28, 27| een leeuw, en gelijk een luipaard zal zij ze verwoesten.~ 816 21, 27| ongeschiktheid des mensen te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige 817 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing u 818 30, 26| 26 Een lustig en goed hart is bezorgd 819 7, 3 | niet zevenvoudig hetzelve maaien.~ 820 17, 16| zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch 821 16, 27| vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken 822 23, 25| Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder zijn den de zon.~ 823 43, 8 | 8 De maand heeft haar naam naar haar; 824 8, 15| 15 Leen niemand die machtiger is dan gij, en indien gij 825 19, 3 | 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel hebben, 826 18, 33| 33 Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, 827 49, 15| wiens gedachtenis vele malen wordt verhaald, die ons 828 39, 2 | vertelling der vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke 829 20, 26| 26 De manieren van een leugenachtig mens 830 28, 17| 17 De dubbele tong heeft mannelijke vrouwen verdreven, en heeft 831 18, 21| 21 Verneder u door matigheid, eer gij ziek wordt, en 832 38, 4 | 4 De Here heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, 833 10, 11| 11 De medicijnmeester houdt een lange ziekte af, 834 8, 18| zoudt door zijn dwaas heid mee vergaan.~ 835 6, 23| wijsheid is gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~ 836 16, 21| mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken is voor ons 837 50, 19| met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang.~ 838 31, 17| 17 Meet bij uzelf af hetgeen uw 839 46, 18| drukten, en offerde een melklam;~ 840 29, 4 | 4 Velen menen dat het geleende als gevonden 841 38, 8 | 8 De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken 842 36, 25| haar man niet gelijk andere mensenkinderen.~ 843 17, 26| mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon onsterfelijk is.~ 844 9, 19| 19 Merk op uw naaste, naar al uw 845 23, 26| alle wegen der mensen, en merken op de verborgene delen.~ 846 22, 2 | is gelijk koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt 847 26, 23| die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die 848 7, 18| Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, 849 27, 1 | hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en die zoekt zijn 850 24, 16| reukbal, en gelijk uitgelezen mirre.~ 851 38, 13| 13 Daar is mischien een tijd, dat er in hun 852 21, 18| onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, enhij werpt het 853 23, 11| 11 Indien hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en 854 41, 4 | dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de lijdzaamheid verloren 855 29, 10| vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden.~ 856 10, 34| is, hoeveel te meer in ar moede.~ ~ 857 2, 13| ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, 858 30, 8 | een ongebonden zoon wordt moedwillig.~ 859 10, 8 | vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door 860 7, 15| 15 Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, 861 14, 15| niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot 862 1, 29| Maar de geveinsden niet met monden der mensen: en neem acht 863 34, 8 | wijsheid is eens getrouwen monds volkomenheid.~ 864 36, 28| Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene 865 50, 6 | 6 Gij waart gelijk de morgenster in het midden der wolken, 866 42, 16| van de klederen komt de mot voort, en van de vrouw de 867 12, 18| handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.~ ~ ~ 868 31, 27| karig is in spijs, over die murmureert de stad, en de getuigenis 869 10, 28| van wetenschap zal niet murmureren als hij onderwezen wordt.~ 870 46, 9 | zou zondigen en om de boze murmurering te stillen.~ 871 22, 20| versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 872 49, 2 | ieder als honig, en als een muziekspel op een wijnbanket.~ 873 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed tot de Here. 874 21, 2 | want indien gij tot haar naakt, zo zal zij u steken.~ 875 16, 25| wetenschap verkondigen met naarstigheid.~ 876 29, 5 | ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om des naasten 877 37, 31| en de onverzadelijkheid nadert tot buikpijn.~ 878 27, 2 | 2 Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen 879 23, 34| 34 En de nagelatenen zullen bekennen, dat er 880 51, 20| mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~ 881 33, 16| de wijnlezers de druiven naleest, nochtans ben ik door de 882 42, 14| van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de 883 14, 22| uit achter haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.~ 884 1, 3 | afgrond, en de wijsheid naspeuren?~ 885 47, 1 | 1 NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen 886 24, 6 | aarde, en bij alle volken en natiën heb ik bezittingen.~ 887 32, 8 | u van node is, en zulks nauwe lijks, indien gij tweemaal 888 42, 1 | SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon 889 47, 27| kwam Jerobeäm, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, 890 43, 19| sneeuw gelijk vogelen, die nederwaarts vliegen, en ze daalt af 891 1, 31| midden der vergadering ter nederwerpen.~ 892 26, 13| zich tegenover elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de 893 39, 36| tot zijn diensten, en wan neer hun tijd gekomen is, zo 894 25, 27| boze vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht, 895 25, 9 | 9 Aan negen dingen heb ik gedacht, en 896 49, 15| de uitverkorenen was ook Nehemia, wiens gedachtenis vele 897 4, 8 | 8 Neig uw oor tot de arme, zonder 898 6, 34| en indien gij uw oor zult neigen, zo zult gij wijs worden.~ 899 9, 11| eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet 900 51, 34| onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is 901 36, 28| een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg 902 27, 9 | 9 Het gevogelte nestelt bij zijns gelijken, en de 903 12, 12| 12 Stel hem niet nevens u, opdat hij niet te eniger 904 33, 20| adem in u is, geef uzelf in niemands macht, over.~ 905 20, 13| en desgelijks ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, 906 22, 19| steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen.~ 907 44, 18| 18 Noach werd volkomen bevonden en 908 13, 11| meer en te vaker tot zich noden.~ 909 13, 11| een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en 910 23, 9 | en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd.~ 911 44, 10| zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; desgelijks 912 43, 18| zuidenwind, en de buiige noorden wind, en de wervelwind.~ 913 43, 22| 22 Wanneer de koude noordenwind blaast, en het water tot 914 46, 1 | 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, 915 10, 4 | haar verwekken een, die nuttig is.~ 916 28, 24| boze dood, en het graf is nuttiger dan zij.~ 917 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! 918 40, 15| groente aan alle water en oever van een stroom zal voor 919 7, 9 | als ik God de Allerhoogste ofer, zo zal hij het aannemen.~ 920 34, 20| heeft geen welbehagen aan de offeran den der goddelozen, en wordt 921 50, 15| hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van het druivenbloed,~ 922 31, 7 | aanstoots degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor 923 7, 18| oprechte broeder om goud uit Ofir.~ 924 4, 18| zij in het eerst met hem omgaan.~ 925 24, 5 | heb de rondte des hemels omgegaan, en heb in de diepte der 926 45, 9 | 9 En heeft hem omgord met een kleed der heerlijkheid, 927 22, 21| 21 Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen 928 33, 5 | overlegging is gelijk een as die omloopt.~ 929 50, 13| cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem gelijk scheuten van 930 50, 13| 13 Rondom hem was een omstaande menigte zijner broeders, 931 13, 28| aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~ 932 41, 4 | uiterste ouderdom is, en omtrent alle dingen bezig is, en 933 28, 28| 28 Zie toe, omtuin hetgeen gij bezit met doornen, 934 38, 16| dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, 935 51, 9 | hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; 936 20, 19| 19 Een onaangenaam mens is als een ontijdige 937 13, 14| 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden 938 37, 12| dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch 939 35, 19| totdat hij de lendenen der onbarmhartigen verbroken zal hebben.~ 940 3, 23| zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn 941 18, 18| zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig 942 31, 8 | 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar 943 40, 31| 31 In de mond des onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar 944 25, 26| 26 Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij 945 13, 25| hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men recht 946 5, 9 | schielijk uitvaren, en als gij onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld 947 29, 29| hebben en te drinken geven de ondankbaren, en nog daartoe bittere 948 45, 10| 10 Met onderbroeken, lange rok, en lijfrok;~ 949 13, 5 | gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~ 950 48, 13| niemand heeft hem met geweld onderdrukt.~ 951 46, 6 | als hij de vijanden rondom onderdrukte, en de grote Here verhoorde 952 38, 8 | 8 De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen 953 36, 21| spijs van het wildbraad, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige 954 23, 2 | over mijn gedachte, en een onderrichting der wijsheid in mijn hart? 955 43, 27| verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid der walvissen.~ 956 40, 18| Kinderen, en opbouw der stad onderstutten de naam.~ 957 3, 23| en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat 958 4, 32| 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, 959 37, 20| menig arglistig man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn 960 14, 20| Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het 961 3, 23| Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die 962 30, 8 | paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig.~ 963 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft 964 43, 27| 27 Want daar zijn ongelofelijke en wonderlijke werken; verscheidenheid 965 7, 2 | 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 966 30, 13| gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~ 967 16, 11| ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~ 968 30, 8 | 8 Een ongetemd paard wordt wrevelig, en 969 22, 14| een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen 970 18, 2 | hetgeen heilig is van het onheilige.~ 971 50, 1 | 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, welke 972 23, 15| 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is 973 29, 20| is, zal vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten 974 16, 1 | 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en 975 40, 12| 12 De goederen der onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, 976 10, 9 | 9 Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger dan een geldgierige.~ 977 17, 26| dewijl geen mensenzoon onsterfelijk is.~ 978 19, 18| behagelijk is, zullen de boom der onsterfelijkheid tot vrucht genieten.~ 979 11, 10| bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als gij vliedt.~ 980 20, 17| kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem desgelijks 981 7, 19| 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en 982 18, 6 | hebben, dan zal hem nog ontbreken.~ 983 11, 28| einde van de mens is de ontdekking zijner werken.~ 984 8, 7 | 7 Onteer niemand in zijn ouderdom, 985 37, 26| de dagen van Israël zijn ontelbaar.~ 986 20, 2 | om een jonge dochter te onteren, zo is hij die geweld oefent 987 16, 10| 10 Hij ontfermde zich niet over het volk 988 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die 989 16, 11| kastijding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende; indien 990 18, 14| 14 Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing 991 6, 35| spreuken van het verstand niet ontgaan.~ 992 47, 22| aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn 993 39, 2 | vertelling der vermaarde manen onthoudt hij, en in kloeke spreuken 994 20, 19| onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, in de mond der ongeschikten 995 18, 33| arm, makende gelagen van ontleend geld, daar gij niets hebt 996 31, 36| hem niet, wanneer hij u ontmoet.~ ~ 997 19, 27| verstandige wordt aan de ontmoeting zijns aangezichts gekend.~ 998 31, 2 | sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware krankheid.~ 999 42, 13| dat zij niet misschien ontreinigd, en in haars vaders huis 1000 4, 3 | 3 Ontroer een verstoord hart niet 1001 40, 5 | gramschap en nijdigheid, ontroering en beweging, en vrees des 1002 28, 10| 10 Een zondaar ontroert vrienden, en onder degenen


42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License