Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg

                                                     bold = Main text
     Chapter, Verse                                  grey = Comment text
1003 46, 21| 21 En eer hij ontsliep betuigde hij voor de Here, 1004 43, 24| de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze.~ 1005 8, 13| 13 Ontsteek de kolen des zondaars niet, 1006 43, 20| witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen.~ 1007 47, 22| on gehoorzaam koninkrijk ontstond.~ 1008 14, 4 | 4 Wie vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert 1009 2, 7 | uw loon zal u geenszins ontvallen.~ 1010 42, 8 | stel alles, uitgifte en ontvangst, in geschrift.~ 1011 29, 5 | 5 Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens 1012 50, 12| uit de hand der priesters ontving, zo stond hij zelf bij de 1013 16, 14| 14 De zondaar zal niet ontvlieden met zijn roof; en de verwachting 1014 11, 35| enige uwer eigen goederen ontvreemden.~ ~ ~ ~ 1015 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt gelijk een die achter de 1016 40, 7 | de krijg ontvloden is, en ontwakende in de tijd zijner behoudenis, 1017 32, 18| 18 Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar 1018 3, 29| genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant der 1019 3, 10| de vervloeking der moeder ontwortelt de fundamenten.~ 1020 41, 20| 20 Dat men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het 1021 26, 25| eerbare dochter zal ook de man ontzien.~ 1022 26, 5 | 5 Drie dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde 1023 20, 31| wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, 1024 22, 18| lichter om te dragen, dan een onverstandig mens.~ 1025 27, 12| 12 Neem onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd 1026 23, 7 | 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper 1027 11, 22| des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken.~ 1028 42, 13| getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij.~ 1029 30, 11| de jeugd, en overzie zijn onwetend heden niet.~ 1030 28, 8 | Allerhoogsten, en overzie zijn onwetendheid.~ 1031 31, 34| 34 De dronkenschap des onwijzen vermeerdert zijn gramschap 1032 24, 17| Gelijk als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de 1033 17, 25| de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening voor 1034 17, 17| de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters 1035 3, 26| doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht 1036 24, 28| Jordaan in de dagen van de oogst.~ 1037 45, 16| 16 En niemand deed ooit deze klederen aan, die uit 1038 43, 14| verhaast de bliksem zijns oordeels.~ 1039 46, 4 | hij zo gestaan? want de oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~ 1040 50, 7 | gelijk als de leliën aan de oorsprong van het water; gelijk een 1041 51, 12| En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt 1042 40, 18| 18 Kinderen, en opbouw der stad onderstutten de 1043 22, 26| versmading en hovaardigheid, en openbaring van hetgeen verborgen is, 1044 40, 13| 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige 1045 15, 5 | der vergadering zijn mond openen.~ 1046 22, 26| de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want 1047 26, 13| reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, 1048 6, 3 | 3 Gij zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, 1049 26, 17| 17 Gelijk de zon opgaande in de hoogste plaatsen des 1050 51, 12| aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing 1051 18, 6 | hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog 1052 41, 5 | aan uw vlees door de Here opgelegd.~ 1053 26, 6 | en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker 1054 48, 10| 10 Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen 1055 24, 4 | tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~ 1056 30, 18| 18 Opgesloten goederen bij een gesloten 1057 45, 22| Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in 1058 48, 5 | een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf 1059 31, 13| En zeg niet: Daar is veel opgezet.~ 1060 20, 10| de vernedering het hoofd opheft.~ 1061 13, 25| heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke 1062 3, 28| daar zal zonden, op zonden ophopen.~ 1063 12, 13| gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich 1064 46, 11| in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, 1065 11, 32| zal hij u een schandvlek opleggen.~ 1066 4, 13| lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging 1067 11, 18| die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit 1068 7, 18| zij wat het wil, noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.~ 1069 5, 13| goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord 1070 47, 15| voor zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden 1071 33, 31| zoudt mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult 1072 26, 29| is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs overbrengen.~ 1073 7, 7 | begeef uzelf niet onder het oproerige volk.~ 1074 24, 9 | In Jakob zult gij uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult gij 1075 17, 17| bekering, daarna zal hij opstaan en hen weder vergelden, 1076 46, 2 | de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël te brengen 1077 6, 32| tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon der vrolijkheid.~ 1078 7, 22| 22 Hebt gij vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut 1079 10, 1 | heerschappij des verstandigen is ordelijk aangesteld.~ 1080 33, 26| buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging 1081 50, 23| alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt 1082 47, 25| 25 En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit 1083 26, 22| 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende, en vrijmoedigheid van het 1084 26, 29| in de oproeren des krijgs overbrengen.~ 1085 26, 7 | tong geselt, en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en 1086 39, 37| geworden, en heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten.~ 1087 6, 37| 37 Overdenk de geboden des Heren volkomen, 1088 27, 14| veel zweert, doet de haren overeind staan, en hun strijd maakt 1089 38, 38| vergadering zullen zij niet overgaan.~ 1090 10, 8 | ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden 1091 11, 6 | vele heerlijke lieden zijn overgeleverd in handen van anderen.~ 1092 30, 10| hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten laatste op uw 1093 22, 30| zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een iegelijk 1094 31, 23| 23 En zo gij met kost overladen zijt, sta op midden door 1095 4, 22| zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval.~ 1096 3, 23| dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig.~ 1097 17, 6 | oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap des verstands 1098 8, 2 | opdat hij u misschien niet overmag.~ 1099 41, 10| schelden zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad 1100 51, 31| niet onderwezen zijt, en overnacht in het huis der onderwijzing.~ 1101 14, 25| onder haar takken zal hij overnachten.~ 1102 23, 30| derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere 1103 25, 4 | is, en een oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen 1104 42, 13| dat zij niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet 1105 29, 23| 23 Een zondaar overtredende de geboden des Heren zal 1106 41, 22| en voor het volk, vanwege overtreding der wet.~ 1107 19, 22| de wet des Allerhoogsten overtreedt.~ 1108 43, 32| evenwel zal hij het nog overtreffen.~ 1109 10, 30| iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht 1110 19, 22| is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet 1111 3, 25| Zijt niet ijdel bezig in overvloedigheid uwer woorden, want u zijn 1112 12, 5 | opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u 1113 30, 8 | 8 Een ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden 1114 48, 9 | in een wagen met vurige paarden.~ 1115 5, 11| en ga niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die 1116 2, 14| handen en de zondaar die twee paden ingaat.~ 1117 50, 13| hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van 1118 22, 20| pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 1119 43, 22| het water gelijk als een pantser aan.~ 1120 24, 33| ben ik uitgegaan in het paradijs.~ 1121 13, 1 | 1 DIE pek aanroert, wordt daarmede 1122 39, 27| gelijk hij de wateren in pekel verkeert.~ 1123 26, 13| elke paal nederzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen.~ 1124 31, 22| Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een 1125 33, 26| hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een 1126 4, 19| hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat 1127 33, 26| os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht.~ 1128 36, 26| die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag.~ 1129 26, 19| 19 Gelijk gouden pilaren op zilveren voetstukken, 1130 45, 28| 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is 1131 24, 27| zijn wijsheid, gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in 1132 13, 14| houdt, en hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.~ 1133 29, 26| armen onder een deksel van planken, is beter dan heerlijke 1134 49, 9 | gelijken om te bouwen en te planten.~ 1135 24, 15| veld, en gelijk de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.~ 1136 28, 7 | 7 Pleeg geen vijandschap tegen uw 1137 37, 15| Want de ziel van de man pleegt somtijds wat beters te verkondigen, 1138 7, 13| enigerlei leugen, want gedurig plegen der zelve komt niet ten 1139 22, 20| is gelijk een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand.~ 1140 10, 29| als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer benauwdheid.~ 1141 11, 16| en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid.~ 1142 20, 5 | gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de gelegen 1143 10, 30| overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.~ 1144 48, 20| zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed.~ 1145 49, 15| muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, 1146 13, 3 | gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze 1147 33, 13| hand gelijk het leem eens pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar 1148 20, 10| wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit 1149 47, 7 | onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen des Heren, 1150 50, 19| 19 En de zangers prezen God met hun stemmen, en 1151 7, 30| Vrees de Here, en eer de priester.~ 1152 45, 8 | opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt 1153 45, 19| dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk 1154 47, 12| versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en 1155 37, 23| verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig.~ 1156 38, 26| houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en 1157 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van de pottenbakker, 1158 11, 4 | 4 Pronk niet met de klederen die 1159 43, 21| bevroren zijnde wordt gelijk de punten der palen.~ 1160 15, 14| gelaten in de hand zijns raads.~ 1161 39, 3 | verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken oefent hij 1162 44, 5 | Leiders van het volk in de raadslagen, en in het verstand der 1163 48, 20| trok Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn 1164 33, 5 | van de zot is gelijk het rad aan een wagen, en zijn overlegging 1165 35, 17| gebed zal tot aan de wolken raken.~ 1166 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te horen, en 1167 6, 21| 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en 1168 12, 12| en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger 1169 29, 15| schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~ 1170 29, 6 | hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en 1171 27, 21| het ontvloden gelijk een ree uit de strik.~ 1172 47, 15| 15 Salomo regeerde in de tijd des vredes, en 1173 10, 16| Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt, en heeft 1174 33, 18| en gij die de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan.~ 1175 43, 12| 12 Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt 1176 47, 26| gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen 1177 38, 10| en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.~ 1178 38, 36| en waakt om de oven te reinigen.~ 1179 51, 27| naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden.~ 1180 42, 3 | metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel 1181 26, 13| 13 Gelijk een reizende man dorstende, de mond opent 1182 7, 16| 16 Reken uzelf niet onder de menigte 1183 49, 15| heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.~ 1184 24, 16| als kaneel en gelijk een reukbal, en gelijk uitgelezen mirre.~ 1185 47, 4 | zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid 1186 16, 8 | geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door 1187 49, 15| opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloe 1188 46, 13| 13 En de richters, elk met zijn naam, welker 1189 30, 19| want hij eet niet, en hij riekt niet; zo gaat het hem die 1190 50, 23| moeders schoot af, en die riet ons handelt naar zijn barmhartigheid.~ 1191 10, 8 | ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen 1192 43, 21| 21 En hij giet de rijm op de aarde gelijk zout, 1193 51, 19| druif die na het bloeisel rijp wordt.~ 1194 30, 1 | zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, 1195 49, 9 | tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen, 1196 39, 11| van het verbond des Heren roemt hij.~ 1197 13, 17| lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~ 1198 30, 7 | verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd.~ 1199 26, 29| en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als 1200 24, 5 | 5 Ik alleen heb de rondte des hemels omgegaan, en 1201 34, 24| het loon van de dagloner rooft.~ 1202 22, 29| de damp des ovens en de rook gaan voor het vuur, zo gaan 1203 39, 17| en spruit uit gelijk een roos, die geplant is aan een 1204 48, 19| daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen 1205 24, 14| te Engedi, en gelijk een, rozeboom te Jericho.~ 1206 50, 7 | Allerhoogsten; gelijk de bloem der rozen in de tijd der nieuwe bloemen; 1207 21, 18| enhij werpt het achter zijn rug.~ 1208 10, 17| 17 De Here rukt de wortelen der hovaardige 1209 47, 26| 26 En Salomo rustte met de vaderen, en liet 1210 50, 26| zitplaats hebben op de berg van Samaria, en lieden die in der Filistijnen 1211 27, 5 | mens wordt beproefd in zijn samenspreking.~ 1212 32, 6 | 6 De samenstemming der muzikanten in een wijngelag 1213 46, 15| 15 Samuël bemind van zijn Here, zijnde 1214 48, 20| 20 In zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake van 1215 21, 30| Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt 1216 35, 20| smaders zal weggenomen, en de scepters der onrecht vaardigen verbroken 1217 41, 30| 30 Gij zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij 1218 26, 16| 16 Een schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade 1219 37, 28| leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet.~ 1220 5, 17| komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~ 1221 34, 2 | 2 Gelijk een die naar de schaduw grijpt, en de winden najaagt, 1222 22, 30| beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht 1223 10, 24| een wegwerping der heer schappij.~ 1224 45, 13| 13 Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewrocht, 1225 29, 15| 15 Sluit uw aalmoes in uw schatkamers, en ze zal u redden uit 1226 6, 13| 13 Scheid u af van uw vijanden, en 1227 25, 31| af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan.~ ~ 1228 16, 26| heeft hij hun delen onder scheiden.~ 1229 12, 8 | het hem kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af.~ 1230 22, 24| weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap 1231 27, 22| men verbinden, en voor een scheldwoord is verzoening, maar die 1232 45, 11| granaatappelen, en zeer veel gouden schelletjes rondom heen, om geluid te 1233 24, 8 | 8 Toen beval mij de schepper aller dingen, en die mij 1234 49, 19| en Adam boven alles in de schepping.~ ~ 1235 31, 27| getuigenis zijner karigheid is scherp.~ 1236 42, 14| 14 Houd scherpe wacht over een wrevelige 1237 28, 20| Velen zijn gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo 1238 22, 31| mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat 1239 8, 5 | 5 Scherts niet met een ongeschikte, 1240 22, 8 | een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende 1241 50, 13| en omsingelden hem gelijk scheuten van palmbomen; namelijk 1242 24, 36| als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre landen.~ 1243 43, 9 | legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~ 1244 43, 12| die zeer schoon is in zijn schijnsel.~ 1245 38, 30| begeeft zijn hart om de schilderij na te maken, en waakt om 1246 40, 6 | hij gelijk in de dagen der schildwacht.~ 1247 23, 7 | onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hovaardige zullen zich 1248 33, 2 | is, die is gelijk als een schip in een storm van vele baren.~ 1249 46, 21| zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand 1250 36, 23| maar de ene dochter is schoner dan de andere.~ 1251 26, 8 | is gelijk degene, die een schorpioen aangrijpt.~ 1252 39, 34| der wilde dieren, en de schorpioenen, en adders, en het zwaard 1253 31, 16| wrijf ze met hem niet in de schotel.~ 1254 6, 26| 26 Leg uw schouder onder haar, en draag haar, 1255 7, 33| 33 En de gaven der schouderen, en de offerande der heiliging, 1256 11, 13| verderven; en velen dat aan schouwende, verwonderen zich over hem.~ 1257 34, 10| gedwaald heeft, is meerder in schranderheid.~ 1258 50, 27| Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing 1259 38, 25| 25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de 1260 10, 5 | en op het aangezicht des schriftgeleerden zal hij zijn heerlijkheid 1261 38, 28| is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht 1262 22, 19| niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende 1263 22, 1 | beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer.~ 1264 23, 15| eedzweren, want daarin is schuld der zonde.~ 1265 7, 32| de eerstelingen, en het schuldoffer,~ 1266 1, 16| wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~ 1267 49, 19| 19 Sem en Seth zijn verheerlijkt 1268 49, 19| 19 Sem en Seth zijn verheerlijkt geweest 1269 50, 26| en het dwaze volk dat te Sichem woont.~ 1270 48, 7 | 7 Gij, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing 1271 16, 11| geselende, ontfermende, slaande, genezende; indien dan een 1272 40, 6 | als geen rust, en daarna slaapt hij gelijk in de dagen der 1273 34, 21| 21 Hij slacht de zoon in tegenwoordigheid 1274 45, 17| 17 Hun slachtofferg werden des daags tweemaal 1275 21, 5 | 5 Slagen en smaadheid verwoesten 1276 22, 8 | scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.~ 1277 22, 7 | worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; 1278 47, 5 | ophief om met de steen des slingers de trots van Goliath terneder 1279 48, 24| 24 Hij sloeg het leger der Assyriërs, 1280 31, 2 | wakende bekommernis vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert 1281 22, 9 | vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij 1282 36, 28| de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens 1283 21, 5 | 5 Slagen en smaadheid verwoesten rijkdom; zo zal 1284 36, 21| 21 De keel smaakt de spijs van het wildbraad, 1285 10, 6 | onrecht, en doe niets door smadelijke werken.~ 1286 8, 14| 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet 1287 35, 20| totdat hij de menigte der smaders zal weggenomen, en de scepters 1288 32, 7 | is als een zegel in een smaragd op een gulden stuk werk.~ 1289 17, 19| Here, en verlaat de zonden; smeek voor zijn aangezicht, en 1290 50, 20| Here, des Allerhoogsten, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht 1291 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer knechten, naar de zegen 1292 38, 31| 31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld 1293 9, 4 | 4 Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger 1294 11, 22| de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme 1295 25, 31| zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef 1296 37, 15| de ziel van de man pleegt somtijds wat beters te verkondigen, 1297 37, 19| 19 Vier soorten van dingen vertonen zich: 1298 11, 18| wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel 1299 18, 2 | de wereld gebouwd met de span zijner hand, en alle dingen 1300 43, 13| handen des Allerhoogsten spannen hem uit.~ 1301 13, 14| geenszins plagen en banden aan u sparen.~ 1302 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en 1303 18, 5 | vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~ 1304 12, 11| zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult 1305 29, 16| schild, en meer dan een harde spies, tegen uw vijand voor u 1306 30, 18| gesloten mond zijn gelijk spijsgerechten bij een graf gelegd.~ 1307 48, 19| midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer, en 1308 39, 3 | Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden, en in raadselen der spreuken 1309 42, 14| dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en 1310 20, 20| 20 Een spreuk komende uit de mond eens 1311 33, 6 | bespotter is, is gelijk een springhengst, hij briest onder een ieder, 1312 43, 19| en ze daalt af gelijk de sprinkhanen, die zich neder zetten op 1313 28, 13| maar indien gij daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en 1314 26, 18| van haar aangezicht in de staande ouderdom.~ 1315 24, 17| als Galbanum, en Onyx, en Stacte, en gelijk de damp des wierooks 1316 32, 21| en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten.~ 1317 40, 14| wortelen liggen op een steile steenrots.~ 1318 40, 14| onreine wortelen liggen op een steile steenrots.~ 1319 21, 2 | haar naakt, zo zal zij u steken.~ 1320 51, 3 | degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een helper 1321 12, 17| vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen 1322 50, 19| zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid 1323 17, 9 | zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn.~ 1324 38, 19| droefheid des harten kromt de sterken.~ 1325 29, 1 | leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt 1326 5, 10| 10 Steun niet op onrechtvaardige 1327 22, 19| schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer 1328 6, 2 | uw ziel niet gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd 1329 38, 26| derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?~ 1330 28, 18| geen rust vinden, noch met stilheid wonen.~ 1331 21, 23| kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen.~ 1332 43, 5 | door woorden heeft doen stilstaan.~ 1333 41, 25| die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen 1334 38, 39| 39 Op de stoel der rechters zitten zij 1335 44, 23| vermenigvuldigen gelijk het stof der aarde; en dat zij een 1336 33, 24| ezel behoort voeder, en een stok en last; voor een huisknecht 1337 30, 13| van hem, opdat gij u niet stoot aan zijn ongeregeldheid.~ 1338 37, 30| in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen.~ 1339 8, 6 | afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn.~ 1340 43, 4 | het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert.~ 1341 30, 9 | 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; 1342 6, 29| zij zal u tot verheuging strekken;~ 1343 20, 8 | boze dingen, en menige vond strekt tot schade.~ 1344 50, 15| 15 Strekte hij zijn handen uit tot 1345 33, 29| boeien, doch wees niet te streng jegens iemands lichaam, 1346 39, 17| die geplant is aan een stromend water;~ 1347 4, 31| en bedwing de vloed des strooms niet.~ 1348 37, 13| indien gij zoudt komen te struikelen, die met u bedroefd is.~ 1349 6, 10| Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet 1350 9, 20| rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn 1351 39, 30| vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honig, druivenbloed, 1352 36, 9 | 9 Neem de tegenpartijder weg, en verbrijzel de vijand.~ 1353 12, 7 | wordt niet verborgen in tegenspoed.~ 1354 46, 7 | tot hen vernielde hij die tegenstonden.~ 1355 1, 2 | regen en de dagen der eeuwen tellen?~ 1356 50, 2 | hoogte, de hoge omgang des tempels.~ 1357 49, 11| de plasregen, en bracht terecht die hun wegen recht maakten.~ 1358 47, 5 | slingers de trots van Goliath terneder te werpen.~ 1359 10, 16| de tronen der regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen 1360 24, 18| takken uitgestrekt gelijk een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk 1361 9, 17| u niet, opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~ 1362 17, 1 | hem weder in dezelve doen terugkeren.~ 1363 16, 25| 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en 1364 44, 2 | zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af.~ 1365 41, 7 | 7 Of gij tien, of honderd, of duizend 1366 23, 25| van de Allerhoogste Here tienduizend maal klaarder zijn den de 1367 47, 7 | hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen 1368 24, 27| gelijk de Pison, en gelijk de Tigris in de dagen der nieuwe vruchten.~ 1369 35, 23| 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in 1370 38, 28| met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de 1371 47, 20| gij goud tezamen gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet 1372 45, 21| gegeven, en macht in de inzet tingen der rechten, om Jakob zijn 1373 9, 18| strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~ 1374 34, 21| vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld der armen.~ 1375 45, 29| afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor 1376 51, 22| gevonden, ik ben door haar toegenomen.~ 1377 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die 1378 24, 21| namelijk die mij van hem toegezegd worden.~ 1379 34, 6 | Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef 1380 14, 23| heenziet, en bij haar deuren toehoort,~ 1381 38, 1 | behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here 1382 13, 13| zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke zaken 1383 32, 5 | 5 Waar men toeluistert, giet daar uw rede niet 1384 28, 11| gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, 1385 51, 23| geeft, die zal ik macht toeschrijven.~ 1386 27, 14| strijd maakt dat men de oren toestoppen moet.~ 1387 21, 9 | stenen vergadert tot een tombe op zijn graf.~ 1388 20, 29| der wijzen, en gelijk een toom in de mond, keren zij de 1389 49, 10| zag, hetwelk de Here hem toonde in de wagen der cherubim.~ 1390 8, 19| Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door 1391 19, 19| hij het daarna doet, ver toornt degene, die hem voedt.~ 1392 26, 23| die een man heeft, zal een toren des doods geacht worden, 1393 33, 26| 26 Het juk en touw buigen voor de hals van 1394 13, 13| 13 Tracht niet met hem te spreken, 1395 6, 36| voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren.~ 1396 43, 22| van het water neder, en trekt het water gelijk als een 1397 7, 36| niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.~ 1398 48, 27| en troostte degenen die treurden in Sion.~ 1399 7, 36| en treur met degenen die treuren.~ 1400 48, 20| 20 In zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake 1401 50, 17| van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en 1402 10, 16| 16 De Here heeft de tronen der regeerders ternedergedrukt, 1403 48, 27| geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in 1404 47, 5 | de steen des slingers de trots van Goliath terneder te 1405 22, 27| 27 Bewijs trouw jegens uw naaste in zijn 1406 24, 34| wateren, en mijn op. recht tuinbeddeken begieten.~ 1407 11, 8 | der woorden spreek niet tussenbeide.~ 1408 23, 30| ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld 1409 23, 19| 19 Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen 1410 21, 4 | ongerechtigheid is gelijk een tweesnijdend zwaard, en geen genezing 1411 5, 17| schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~ 1412 20, 9 | daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft.~ 1413 19, 6 | zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen 1414 46, 20| verdelgde de vorsten der Tyriërs, en alle oversten der Filistijnen.~ 1415 43, 4 | aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van 1416 28, 13| daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide uit uw 1417 50, 5 | met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel 1418 45, 14| kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel der heiligheid, een 1419 1, 9 | 9 En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij 1420 40, 15| zal voor alle ander gras uitgeplukt worden.~ 1421 51, 26| 26 Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden 1422 20, 12| aangenaamheid der dwazen zal uitgestort worden.~ 1423 23, 31| Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen 1424 41, 24| afwijzing in het ontvangen en uitgeven.~ 1425 12, 7 | voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet 1426 26, 21| een vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen 1427 49, 5 | 5 Uitgezonderd David en Hiskia, en Josia, 1428 39, 9 | zijner wijsheid als een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt 1429 50, 16| 16 Uitgietende op de fundamenten van het 1430 42, 8 | gewicht, en stel alles, uitgifte en ontvangst, in geschrift.~ 1431 16, 10| het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, die zij deden.~ 1432 51, 11| degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen verlost uit de hand 1433 13, 8 | beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of driemaal toe, 1434 13, 6 | hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~ 1435 17, 5 | de spraak, welke is een uitlegging zijner werken.~ 1436 47, 19| spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen.~ 1437 18, 4 | kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij 1438 20, 14| zijn mond open doen als een uitroeper.~ 1439 45, 9 | roem, en hem gesterkt met uitrusting der sterkte;~ 1440 40, 14| zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortelen 1441 24, 29| de leer der kennis doet uitschijnen gelijk een licht, en gelijk 1442 50, 7 | 7 Gelijk de zon uitschijnende op de tempel des Allerhoogsten; 1443 22, 15| wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.~ 1444 43, 9 | hoogte, schijnende in het uitspansel des hemels.~ 1445 23, 32| zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen 1446 24, 19| heb, gelijk een wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, 1447 38, 29| ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover 1448 46, 3 | het zwaard tegen de steden uittrok?~ 1449 5, 9 | des Heren zal schielijk uitvaren, en als gij onbezorgd zult 1450 12, 14| staat, en indien gij zoudt uitwijken, zo zal hij niet volharden.~ 1451 18, 20| verzoening vinden in de ure der bezoeking.~ 1452 38, 23| oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u 1453 20, 7 | bestraft is geworden, boet vaardigheid bewijst? want zo zal hij 1454 13, 25| dingen gesproken, men recht vaardigt hem evenwel.~ 1455 13, 11| u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.~ 1456 38, 22| 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem 1457 27, 20| en zult hem niet weder vangen.~ 1458 3, 27| zal op het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft 1459 27, 2 | tussen de voegen der stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde 1460 1, 19| heerlijkheid der genen, die haar vasthouden.~ 1461 4, 14| 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar 1462 19, 12| in de heup van het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik 1463 27, 5 | 5 De oven proeft de vaten van de pottenbakker, maar 1464 21, 16| vat, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft.~ 1465 18, 32| 32 Verheug u niet in de veelheid uwer lekkernijen, en wees 1466 21, 28| 28 De lippen der veelsprekers verhalen dingen die hun 1467 24, 15| schone olijfboom in een fraai veld, en gelijk de boom Platanus 1468 26, 21| 21 Als gij uit alle velden een vruchtbaar deel zult 1469 11, 31| 31 Gelijk een gevangen veldhoen in een kooi, alzo is het 1470 14, 23| 23 Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren 1471 13, 5 | stel len, maar indien gij verachtert, zal hij u onderdrukken.~ 1472 36, 6 | Vernieuw uw tekenen, en verander uw wonderen.~ 1473 12, 18| murmelen, en zijn aangezicht veranderen.~ ~ ~ 1474 4, 35| huisknechten als een die met verbeelding gekweld is.~ 1475 51, 11| gij degenen die lijdzaam verbeiden uithelpt, en hen verlost 1476 2, 9 | Gij die de Here vreest, verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt 1477 27, 22| 22 Want een wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord 1478 30, 7 | zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen 1479 20, 29| 29 Gaven en geschenken verblinden de ogen der wijzen, en gelijk 1480 24, 26| dingen leert het boek des verbonds van God de Allerhoogste, 1481 23, 26| mensen, en merken op de verborgene delen.~ 1482 28, 25| haar vlam zullen zij niet verbranden.~ 1483 43, 23| Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en blust het 1484 1, 18| volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor degenen, die hem 1485 13, 3 | stoten, en de andere zal verbrijzeld worden.~ 1486 11, 5 | gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen.~ 1487 33, 23| 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van 1488 44, 25| gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf.~ 1489 4, 3 | een verstoord hart niet verder, en onthoud de gave des 1490 16, 10| zich niet over het volk des verderfs, die uitgingen in hun zonden, 1491 10, 18| volken keert de Here om, en verderft ze tot op de grond der aarde.~ 1492 22, 31| mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~ 1493 31, 5 | gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, deze zal daarvan 1494 19, 5 | verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de wellusten 1495 5, 17| dief, en een schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~ 1496 14, 2 | hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van 1497 25, 21| verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij 1498 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, 1499 20, 31| beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die de Here zoekt, 1500 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid geven, 1501 28, 17| heeft mannelijke vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van 1502 27, 13| Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in 1503 1, 21| 21 De vreze des Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende 1504 43, 3 | Als zij op de middag is, verdroogt zij het land, en wie zal 1505 31, 36| geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u 1506 51, 5 | ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die ik gehad heb;~ 1507 16, 27| niet een heeft zijn naaste verdrukt;~ 1508 4, 4 | 4 Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer


42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License