42-gesme | gespr-ontro | ontsl-verdr | verdu-zwijg
bold = Main text
Chapter, Verse grey = Comment text
1509 43, 4 | van haar stralen de ogen verduistert.~
1510 16, 23| dingen, maar een dwaas man, verdwaald zijnde, overlegt dwaze dingen.~
1511 31, 2 | Deze wakende bekommernis vereist sluimeren, maar de slaap
1512 41, 9 | de kinderen der zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft
1513 36, 13| 13 Vergader alle stammen Jakobs, en
1514 31, 3 | bemoeit zich met veel geld te vergaderen, en wanneer hij rust heeft,
1515 24, 26| heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt
1516 28, 2 | 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat
1517 2, 13| van grote barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in
1518 25, 15| ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~
1519 27, 25| Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij hem, en de Here
1520 22, 1 | 1 DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen,
1521 37, 6 | hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer gij geld hebt.~
1522 28, 2 | hebben, zullen u uw zonden vergeven worden.~
1523 38, 36| hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te
1524 10, 6 | 6 Vergram u niet op uw naaste over
1525 9, 17| indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet
1526 49, 15| gedachtenis vele malen wordt verhaald, die ons de vervallen muren
1527 44, 6 | gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven gedichten.~
1528 25, 12| kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren der toehoorders.~
1529 43, 14| hij de sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem zijns oordeels.~
1530 43, 30| 30 Willen wij hem verheerlijken, waar zullen wij het vermogen?
1531 23, 4 | mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en wend een stout
1532 26, 10| vrouw wordt bekend aan de verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
1533 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid
1534 7, 35| levenden, en aan een dode verhinder de weldadigheid niet.~
1535 43, 4 | werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer; die de bergen
1536 36, 19| 19 Verhoor, Here, de smekingen uwer
1537 10, 8 | bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as?~
1538 29, 22| Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken
1539 47, 3 | 3 Onder leeuwen verkeerde hij gelijk onder geitebokjes,
1540 39, 27| hij de wateren in pekel verkeert.~
1541 41, 8 | der goddelozen te zamen verkeren.~
1542 11, 32| 32 Want hij loert verkerende het goede in het kwade;
1543 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens,
1544 6, 35| aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken
1545 22, 3 | een dochter wordt hem tot verkleining.~
1546 3, 26| aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet.~
1547 44, 4 | raad gaven met verstand, en verkondigd hebben van profetieën.~
1548 37, 12| degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens
1549 42, 5 | kooplieden verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de kinderen
1550 27, 2 | ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven.~
1551 16, 1 | 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte
1552 1, 26| geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
1553 48, 26| achterwaarts, en de Here verlengde de koning het leven.~
1554 37, 32| daarop let zal zijn leven verlengen.~ ~
1555 30, 22| en vrolijk heid des mans verlengt hem zijn dagen.~
1556 45, 21| Israël door zijn wet te verlichten.~
1557 42, 19| 19 De zon verlichtende ziet op alle dingen, en
1558 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends en
1559 47, 23| 23 Doch de Here verliet zijn barmhartigheid niet,
1560 17, 18| geroepen die de lijdzaamheid verlieten.~
1561 15, 20| te zijn, en heeft niemand verlof gegeven te zondigen.~ ~
1562 4, 9 | 9 Verlos degene die onrecht lijdt
1563 50, 24| zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen.~
1564 33, 1 | verzoeking ook weder daaruit verlossen.~
1565 48, 23| hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja.~
1566 22, 16| vinden, en gij zult niet verluieren in zijn zinneloosheid.~
1567 45, 14| heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen der ogen, schone versieringen.~
1568 40, 21| 21 Het oog verlustigt zich in hetgeen dat aangenaam
1569 37, 29| nut, en ieder neemt geen vermaak in alles.~
1570 3, 21| Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden
1571 29, 7 | 7 En indien hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks
1572 12, 13| bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~
1573 47, 20| gelijk tin, en gelijk lood vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij
1574 42, 27| wordt noch vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen raadgever.~
1575 43, 33| hem veel sterkte toe; doch vermoeit u niet, want gij zult het
1576 14, 11| uzelf goed naar dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden
1577 5, 9 | onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld worden, en in de tijd der
1578 48, 24| Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen.~
1579 28, 19| striemen, maar de slag der tong vermorzelt het gebeente.~
1580 2, 21| bereiden hun harten, en vernederen hun zielen voor hem.~
1581 46, 7 | en in het afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden.~
1582 36, 6 | 6 Vernieuw uw tekenen, en verander
1583 46, 14| hun naam door verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun
1584 38, 32| de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn
1585 38, 4 | en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet.~
1586 43, 11| worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd
1587 42, 12| hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat
1588 27, 6 | blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak
1589 14, 20| 20 Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt,
1590 38, 29| steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.~
1591 43, 27| ongelofelijke en wonderlijke werken; verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid
1592 42, 5 | dat gij aan de kooplieden verscheidenlijk verkoopt, en dat gij de
1593 36, 27| wordt hetgeen men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is,
1594 35, 4 | 4 Verschijn niet ledig voor het aangezicht
1595 17, 16| verlaten, maar heeft hen verschoond.~
1596 16, 9 | 9 Hij verschoonde die niet, bij welke Lot
1597 23, 2 | mijn onwetendheden niet verschoont, en de moedwil der openbare
1598 30, 9 | Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal
1599 45, 14| verlustigingen der ogen, schone versieringen.~
1600 51, 4 | die bereid waren om mij te verslinden;~
1601 19, 1 | worden, en die het weinige versmaadt, zal gaandeweg vervallen.~
1602 22, 26| is verzoening, behalve in versmading en hovaardigheid, en openbaring
1603 38, 31| gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft
1604 3, 17| ijs, zo zullen uw zonden versmelten.~
1605 18, 33| want anders zult gij een verspieder zijn van uw eigen leven,
1606 43, 19| 19 Hij verspreidt de sneeuw gelijk vogelen,
1607 31, 29| hetgeen door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn
1608 6, 37| bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid
1609 43, 16| zijn grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen
1610 49, 4 | dagen der onrecht vaardigen versterkte bij de godvrezendheid.~
1611 51, 6 | 6 Van de verstikking des vuurs rondom; uit het
1612 11, 35| en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer
1613 48, 16| weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de ganse aarde.~
1614 45, 24| wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur.~
1615 43, 23| 23 Hij verteert de bergen en verbrandt de
1616 19, 8 | 8 En vertel noch bij vriend noch bij
1617 27, 30| worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn
1618 7, 16| gedenk dat de toorn niet vertoeft.~
1619 37, 19| Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede,
1620 32, 12| loop heen naar huis, en vertraag niet.~
1621 51, 32| 32 Wat vertraagt gij? of wat zegt gij hiertoe?
1622 35, 19| 19 Ook zal de Here niet vertragen, en de machtige zal niet
1623 29, 28| ene huis in het andere te vertrekken, want waar gij bij wonen
1624 1, 14| hun zaad zal zij worden vertrouwd.~
1625 26, 21| zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht.~
1626 14, 2 | niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op
1627 28, 14| 14 Vervloek een oorblazer, en een tweetongig
1628 30, 19| het hem die door de Here vervolgd wordt.~
1629 36, 16| 16 Vervul Sion om uw woorden te verheffen,
1630 16, 14| ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige zal niet
1631 23, 17| en door uw gewone omgang verwelkt, en gij zoudt willen dat
1632 6, 24| verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet;~
1633 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft
1634 18, 22| betalen ter bekwamer tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig
1635 31, 36| 36 En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet,
1636 41, 28| vriend vanwege woorden der verwijting, en als gij hem wat gegeven
1637 7, 18| 18 Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig
1638 26, 15| een wel onderwezen ziel verwisselen kan.~
1639 21, 5 | het huis der hovaardigen verwoest worden.~
1640 22, 26| verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt
1641 20, 20| de mond eens dwazen zal verworpen worden, want hij spreekt
1642 24, 22| gij die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~
1643 42, 7 | 7 Bij een boze vrouw is verzegelen goed, en waar veel handen
1644 28, 15| het ene volk in het andere verzet,~
1645 4, 19| vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;~
1646 13, 13| veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij
1647 18, 23| niet gelijk een die de Here verzoekt.~
1648 28, 5 | vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~
1649 3, 13| 13 Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom,
1650 38, 25| van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die
1651 33, 29| hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, doch wees niet
1652 37, 19| 19 Vier soorten van dingen vertonen
1653 26, 5 | ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik in mijn aangezicht
1654 25, 19| gramschap boven de gramschap des vijands.~
1655 13, 31| hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen in overlegging
1656 3, 31| 31 Het water blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen
1657 45, 24| heeft hen verteerd door het vlammig vuur.~
1658 17, 13| plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.~
1659 23, 21| die met het lichaam zijns vleses hoererij bedrijft, rust
1660 34, 1 | leugenachtig, en dromen maken vleugelen voor de onwijze.~
1661 21, 2 | 2 Vlied voor de zonde gelijk voor
1662 11, 3 | De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht
1663 35, 16| 16 Vlieten niet de tranen der weduwe
1664 13, 15| 15 Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij hem hoort,
1665 19, 23| 23 Daar is een vlijtige arglistigheid, en ze is
1666 49, 15| richelen heeft gesteld, en de vloe ren van onze huizen wederopricht.~
1667 50, 27| uit zijn hart heeft doen vloeien.~
1668 46, 10| land dat van melk en honig vloeit.~
1669 29, 9 | 9 Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor
1670 34, 26| de een bidt en de andere vloekt, wiens stem zal de Here
1671 27, 2 | Gelijk een nagel tussen de voegen der stenen vastgestoken
1672 3, 19| 19 Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid,
1673 50, 29| het licht des Heren zijn voetstap is, en hij geeft de godvrezenden
1674 26, 19| gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone
1675 27, 20| En gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt,
1676 34, 5 | 5 Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen,
1677 17, 4 | heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.~
1678 43, 29| en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al.~
1679 50, 14| 14 En voleindigende de diensten op het altaar,
1680 46, 8 | voor de Here was, want ook volgde hij de machtige na.~
1681 12, 14| uitwijken, zo zal hij niet volharden.~
1682 34, 8 | is eens getrouwen monds volkomenheid.~
1683 31, 10| is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn
1684 50, 10| heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok.~
1685 20, 8 | in boze dingen, en menige vond strekt tot schade.~
1686 42, 28| aanschouwd te worden tot op een vonkje toe!~
1687 45, 26| 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid
1688 14, 14| der goede begeerte u niet voorbijgaan.~
1689 23, 2 | der openbare zondaren niet voorbijgaat;~
1690 42, 24| verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die nog worden
1691 29, 14| Allerhoogsten, en hij zal u voordeliger zijn dan goud.~
1692 23, 30| 30 Want vooreerst is zij de wet des Allerhoogsten
1693 37, 21| is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk;
1694 32, 13| Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden
1695 15, 16| Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand waar heen
1696 31, 18| gelijk een mens van hetgeen u voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig,
1697 50, 5 | uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt.~
1698 50, 5 | huis waar het voorhangsel voorhangt.~
1699 8, 5 | een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden.~
1700 45, 30| vredes, dat hij zou zijn een voorstander der heilige dingen, en dat
1701 12, 3 | 3 Die in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan,
1702 13, 28| hij aanstoot, men zal hem voorts omstoten.~
1703 50, 10| olijfboom, die vruchten voortspruit; en gelijk een cypresseboom,
1704 9, 22| in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat
1705 10, 9 | 9 Daar is voorwaar niets onrechtvaardiger dan
1706 46, 22| was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en
1707 21, 28| aangaan, maar de woorden der voorzichtigen zijn op de waag gewogen.~
1708 44, 7 | 7 Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam
1709 41, 21| vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen;~
1710 33, 4 | 4 Gelijk de vraag klaar is, zo bereid de rede,
1711 31, 18| voorgezet wordt, en zijt niet vraatzuchtig, opdat gij niet gehaat wordt.~
1712 49, 7 | hun heerlijkheid aan een vreemd volk.~
1713 41, 23| de plaats, waar gij als vreemdeling woont, vanwege dieverij;~
1714 37, 12| jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met
1715 1, 7 | 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk, zittende op zijn troon.~
1716 43, 36| gemaakt, en heeft de god vrezende wijsheid gegeven.~ ~
1717 6, 5 | tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken.~
1718 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends en broeders wil, en verberg
1719 26, 33| Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een
1720 10, 28| verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap
1721 20, 7 | bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vlieden.~
1722 12, 6 | der wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar
1723 26, 21| gij uit alle velden een vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben,
1724 22, 15| bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt.~
1725 31, 3 | wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen.~
1726 50, 8 | Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
1727 13, 16| gij deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap.~
1728 23, 6 | de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart,
1729 26, 33| van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd
1730 44, 9 | een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt.~
1731 19, 9 | hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener tijd zal
1732 18, 26| een dwaas zal de tijd niet waarnemen.~
1733 33, 7 | 7 Waarom overtreft de ene dag de
1734 32, 21| 21 Ga niet op de weg waarop men lichtelijk valt, en
1735 34, 5 | 5 Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen
1736 22, 30| hoort zal zich voor hem wachten.~
1737 37, 15| te verkondigen, dan zeven wachters die op een hoge wachttoren
1738 37, 15| wachters die op een hoge wachttoren zitten.~
1739 31, 2 | 2 Deze wakende bekommernis vereist sluimeren,
1740 43, 27| gedierten en onderscheid der walvissen.~
1741 8, 18| 18 Wandel niet met een stoute, opdat
1742 38, 38| daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het
1743 35, 16| tranen der weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen
1744 14, 6 | bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding
1745 22, 25| hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering.~
1746 1, 28| Als gij behoeftig zijt, zo wantrouw de vreze des Heren niet,
1747 46, 8 | 8 Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen, dat namelijk
1748 43, 8 | heeft haar naam naar haar; wassende is zij wonderbaar in haar
1749 34, 27| nuttigheid heeft hij van zijn wassing?~
1750 24, 33| 33 En gelijk een waterloop ben ik uitgegaan in het
1751 50, 3 | 3 In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt
1752 20, 15| zal hij u lenen, en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here
1753 7, 14| de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed.~
1754 26, 32| iemand van de gerechtigheid wederkeert tot zonde; de Here zal hem
1755 40, 1 | zijn, tot op de dag dat zij wederkeren in de moeder van allen.~
1756 22, 25| wanhoop niet, want daar is wederkering.~
1757 38, 22| niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel
1758 49, 15| vloe ren van onze huizen wederopricht.~
1759 19, 5 | worden, maar wie de wellusten wederstaat, die kroont zijn leven.~
1760 46, 9 | Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen
1761 48, 21| handen bewogen, en kregen weedom gelijk de barende vrouwen.~
1762 28, 29| maak voor uw woorden een weegschaal, en voor uw mond een deur
1763 31, 15| dan zulk een oog? daarom weent het vanwege al hetgeen dat
1764 51, 36| 36 Weest deelachtig de onderwijzing
1765 14, 20| heeft zal met hetzelve ook weggaan.~
1766 48, 16| totdat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid
1767 10, 24| en hovaardigheid is een wegwerping der heer schappij.~
1768 13, 22| zijn de armen der rijken weide.~
1769 4, 4 | 4 Weiger de verdrukte niet die u
1770 41, 6 | 6 En wat wilt gij weigerend zijn in hetgeen de Allerhoogste
1771 19, 1 | rijk worden, en die het weinige versmaadt, zal gaandeweg
1772 22, 8 | lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe
1773 22, 19| wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees
1774 32, 19| 19 Een welberaden man veracht de bedenking
1775 18, 20| wordt, bereid uzelf tot weldoen, en gij zult verzoening
1776 12, 1 | 1 INDIEN gij weldoet, zo weet aan wie gij het
1777 1, 12| Here vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en
1778 41, 2 | goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is
1779 19, 10| het bij u sterven, en zijt welgemoed, want het zal u niet doen
1780 5, 4 | niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? want
1781 19, 5 | verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, die kroont zijn
1782 1, 16| huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar schuren van haar
1783 6, 5 | vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de
1784 29, 10| vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en
1785 40, 10| en al wat van water is, wendt zich weder naar de zee.~
1786 7, 36| 36 Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die
1787 26, 10| verheffingen der ogen en aan haar wenkbrauwen.~
1788 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen,
1789 38, 40| bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst
1790 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel een weinig
1791 7, 26| een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u
1792 37, 9 | misschien het lot over u werpe,~
1793 43, 18| buiige noorden wind, en de wervelwind.~
1794 27, 28| herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt.~
1795 20, 4 | menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd.~
1796 44, 5 | verstand der beschreven wetten van het volk.~
1797 38, 34| drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd
1798 50, 8 | 8 Gelijk vuur en wierook op een vuurpan;~
1799 24, 17| Stacte, en gelijk de damp des wierooks in de tabernakel.~
1800 2, 9 | verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij niet
1801 49, 2 | als een muziekspel op een wijnbanket.~
1802 33, 16| wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.~
1803 33, 16| gelijk een die achter de wijnlezers de druiven naleest, nochtans
1804 33, 16| Heren bevorderd, en heb de wijnpers gevuld gelijk een wijnlezer.~
1805 24, 19| 19 Ik heb, gelijk een wijnstok uitspruitende, een goede
1806 29, 6 | van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.~
1807 10, 12| beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.~
1808 36, 21| smaakt de spijs van het wildbraad, zo onderkent een verstandig
1809 34, 2 | de schaduw grijpt, en de winden najaagt, zo is hij die de
1810 34, 25| de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?~
1811 37, 12| met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt
1812 43, 20| over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld
1813 9, 7 | en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~
1814 13, 20| Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is
1815 24, 4 | opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~
1816 21, 4 | genezing is er voor haar wonde.~
1817 16, 11| onder het volk, het ware een wonder dat die ongestraft zou blijven.~
1818 48, 3 | verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden!~
1819 42, 20| heiligen niet gegeven al zijn wonderheden te vertellen.~
1820 44, 7 | vreedzaam levende in hun woningen.~
1821 16, 9 | die niet, bij welke Lot woonde; aan welke hij een gruwel
1822 7, 17| des goddelozen zal vuur en worm zijn.~
1823 28, 1 | 1 WIE zichzelf wreekt, die zal van de Here wraak
1824 30, 8 | Een ongetemd paard wordt wrevelig, en een ongebonden zoon
1825 42, 14| Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat zij niet misschien
1826 31, 16| uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel.~
1827 26, 25| 25 Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar
1828 22, 11| 11 Ween over een dode zachter, dewijl hij rust.~
1829 36, 25| tong barmhartigheid, en zachtmoedig heid, en genezing, zo is
1830 41, 8 | gebuurschappen der goddelozen te zamen verkeren.~
1831 25, 24| 24 Gelijk een zandachtige opgang voor de voeten van
1832 26, 29| mensen ziel, die deze in zeden gelijk is, zal zijn leven
1833 27, 4 | 4 Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid
1834 38, 29| 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds
1835 49, 13| want hij was gelijk een zegelring aan de rechterhand.~
1836 24, 8 | deed mijn tent rusten, en zeide:~
1837 10, 15| 15 Daarom heeft de Here zeldzame straffen over hen gebracht,
1838 7, 13| want gedurig plegen der zelve komt niet ten goede.~
1839 47, 12| versierd, opdat zij zouden prij zen zijn heilige naam, en van
1840 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de volken
1841 49, 13| 13 Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen! want hij
1842 17, 5 | 5 En voor het zesde heeft hij hun het vernuft
1843 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd duizend mannen te voet,
1844 46, 10| zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen
1845 17, 5 | zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, welke is een
1846 51, 9 | Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen
1847 26, 19| Gelijk gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook
1848 39, 18| geeft een reuk van u, en zingt een lofzang.~
1849 22, 16| niet verluieren in zijn zinneloosheid.~
1850 49, 16| 16 Zodanig is er geen geschapen geweest
1851 20, 15| en morgen wedereisen; de zodanige is van de Here en van de
1852 47, 7 | 7 Zodat het hem verheerlijkte onder
1853 12, 12| hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen,
1854 11, 3 | vrucht is het voornaamste der zoetigheden.~
1855 50, 7 | Libanon in de dagen van de zomer;~
1856 7, 7 | 7 Zondig niet tegen de menigte der
1857 47, 27| Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg der
1858 47, 10| 10 Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene
1859 29, 6 | en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd.~
1860 27, 13| 13 Het verhaal der zotten is verdriet, en hun lachen
1861 43, 18| Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige noorden wind,
1862 16, 3 | rechtvaardige is beter dan duizend zulken.~
1863 22, 17| 17 Wat is er zwaarder dan lood, en wat naam zal
1864 28, 20| gevallen door de scherpte des zwaards, doch niet zo velen als
1865 30, 17| bittere leven, of bijblijvende zwakheid.~
1866 42, 13| en in haars vaders huis zwanger worde, en hebbende een man,
1867 19, 24| boosheid doet, gaande gebukt in zwarte klederen, en het binnenste
1868 16, 27| maakselen, en zijn niet be zweken van zijn werken, niet een
1869 23, 8 | 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige
1870 20, 3 | 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, en
|