|
9
1
ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze
onderwijzing.
2
Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.
3
Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat gij niet te eniger tijd in haar
strikken valt.
4
Ga niet om met een snarenspeelster, dat gij niet te eniger tijd gevangen wordt
in haar handelingen.
5
Aanschouw een maagd niet te zeer, dat gij niet misschien geërgerd wordt in haar
bestraffingen.
6
Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet verliest.
7
Zie niet om in de straten der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen
derzelve.
8
Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid.
9
Want door de schoonheid der vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze
wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar in de
armen.
10
Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet.
11
En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot
haar neigt, en gij met uw geest niet valt in het verderf.
12
Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet gelijk.
13
Een nieuwe vriend is gelijk nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink hem
met verheuging.
14
Benijd de zondaar zijn eer niet, want gij weet niet welke zijn verandering is.
15
Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk
dat zij tot in de hel toe niet, zullen gerechtvaardigd worden.
16
Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des
doods niet vermoeden.
17
En indien gij tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet terstond uw
leven beneme.
18
Weet, dat gij in het midden der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad
wandelt.
19
Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met
de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de wet des Allerhoogsten.
20
Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de
vreze des Heren.
21
Door de hand der kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs
voorganger des volks, door zijn woord.
22
Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in
zijn rede, zal gehaat worden.
|