Chapter, Verse
1 1, 2 | Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.~
2 1, 3 | 3 En Baruch las de redenen van
3 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse
4 1, 4 | hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen,
5 1, 4 | voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen;
6 1, 4 | van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten,
7 1, 4 | voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse
8 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten,
9 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, en baden tot de
10 1, 5 | zij weenden en vastten, en baden tot de Here;~
11 1, 6 | 6 En zij verzamelden geld, naar
12 1, 7 | 7 En zij zonden het naar Jeruzalem,
13 1, 7 | van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan
14 1, 7 | priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met
15 1, 9 | weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen,
16 1, 9 | Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen,
17 1, 9 | oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk
18 1, 9 | gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en
19 1, 9 | en het volk van het land, en het naar Babel gebracht
20 1, 10| 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden
21 1, 10| met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en
22 1, 10| brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer,
23 1, 10| en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert
24 1, 10| en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van
25 1, 11| 11 En bidt voor het leven van
26 1, 11| Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar,
27 1, 12| Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten,
28 1, 12| zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de
29 1, 12| nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar,
30 1, 12| van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen,
31 1, 12| zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.~
32 1, 13| Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn
33 1, 13| gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons
34 1, 14| 14 En gij zult dit boek lezen,
35 1, 14| te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen
36 1, 15| 15 En spreekt aldus: Bij de Here
37 1, 15| gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:~
38 1, 16| 16 En onze koningen, en onze oversten,
39 1, 16| 16 En onze koningen, en onze oversten, en onze priesters,
40 1, 16| koningen, en onze oversten, en onze priesters, en onze
41 1, 16| oversten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaders;~
42 1, 16| priesters, en onze profeten, en onze vaders;~
43 1, 18| 18 En wij zijn hem ongehoorzaam
44 1, 18| hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren
45 1, 19| tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn
46 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de
47 1, 20| zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de
48 1, 20| land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze
49 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren
50 1, 22| andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen
51 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord
52 2, 1 | over ons gesproken had, en over onze rechters, die
53 2, 1 | die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over
54 2, 1 | en over onze koningen, en over onze oversten, en over
55 2, 1 | en over onze oversten, en over de mannen van Israël
56 2, 1 | over de mannen van Israël en Juda.~
57 2, 3 | het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn
58 2, 4 | liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken
59 2, 5 | zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons
60 2, 6 | rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen de schaamte
61 2, 8 | 8 En wij hebben het aanschijn
62 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest
63 2, 9 | geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons
64 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël,
65 2, 11| geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen,
66 2, 11| sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote
67 2, 11| tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met
68 2, 11| wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u
69 2, 11| kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt,
70 2, 14| Verhoor, Here, ons gebed en onze smeking, en trek ons
71 2, 14| ons gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om uwentwil,
72 2, 14| ons hieruit om uwentwil, en geef ons genade voor het
73 2, 15| gij de Here onze God zijt, en dat Israël en zijn geslacht
74 2, 15| God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam
75 2, 16| neder uit uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig,
76 2, 16| huis, en gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~
77 2, 16| en neig, Here, uw oor, en hoor.~
78 2, 17| 17 Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in het
79 2, 17| de prijs der heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.~
80 2, 18| is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen
81 2, 18| de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is,
82 2, 18| de prijs der heerlijkheid en der gerechtigheid geven.~
83 2, 19| rechtvaardigheid onzer vaderen en onzer koningen.~
84 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht,
85 2, 22| 22 En indien gij de stem des Heren
86 2, 23| dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude
87 2, 23| ophoude de stem der vreugde, en de stem der blijdschap,
88 2, 23| de stem van de bruidegom, en de stem der bruid, en het
89 2, 23| bruidegom, en de stem der bruid, en het gehele land zal woest
90 2, 24| gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen
91 2, 25| voor de hitte des daags en voor de koude des nachts,
92 2, 25| voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware
93 2, 25| zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering.~
94 2, 25| door honger en door zwaard, en door wegvoering.~
95 2, 26| boosheid van het huis Israëls, en van het huis van Juda.~
96 2, 27| naar al uw billijkheid, en naar al uw grote barmhartigheid.~
97 2, 29| waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen
98 2, 31| land hunner weg voering, en zij zullen erkennen, dat
99 2, 31| ik de Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven,
100 2, 31| zal hun een hart geven, en oren die horen.~
101 2, 32| land hunner wegvoering, en zullen mijns naams gedenken.~
102 2, 33| 33 En zij zullen zich bekeren
103 2, 33| van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want
104 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren
105 2, 34| ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen
106 2, 34| vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij
107 2, 34| en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen,
108 2, 34| zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen,
109 2, 34| zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~
110 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond
111 2, 35| hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot
112 2, 35| zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël
113 3, 1 | ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept
114 3, 2 | 2 Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben
115 3, 3 | gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.~
116 3, 4 | gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u
117 3, 5 | maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.~
118 3, 6 | gij zijt de Here onze God, en wij zullen u loven, Here.~
119 3, 7 | uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze
120 3, 7 | in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen
121 3, 8 | verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een
122 3, 8 | smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering
123 3, 14| weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar
124 3, 14| waar het licht der ogen is, en vrede.~
125 3, 15| heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers
126 3, 16| de oversten der heidenen, en die heersen over de wilde
127 3, 17| met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat
128 3, 17| tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen
129 3, 17| de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~
130 3, 18| die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn,
131 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald,
132 3, 19| in het graf nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats
133 3, 20| hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond,
134 3, 21| 21 En hebben haar paden niet verstaan,
135 3, 21| haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen;
136 3, 23| de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters
137 3, 23| kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere
138 3, 23| Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der
139 3, 24| groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner
140 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen einde, hoog,
141 3, 25| heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.~
142 3, 26| groot waren zij van lichaam, en ervaren in de krijg.~
143 3, 29| is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar
144 3, 29| opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~
145 3, 30| is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en
146 3, 30| en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren
147 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het gaat voort; hij roept
148 3, 33| gaat voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met
149 3, 34| 34 En de sterren lichten in haar
150 3, 34| lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~
151 3, 35| 35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn
152 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander is tegen hem
153 3, 37| der wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan
154 3, 37| gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem
155 3, 37| Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mede
156 4, 1 | het boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid
157 4, 2 | 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot
158 4, 6 | doch niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd
159 4, 7 | duivelen hebt geofferd, en niet God.~
160 4, 8 | vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd
161 4, 9 | van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoort toe,
162 4, 10| gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige
163 4, 11| hen heengezonden met wenen en rouw.~
164 4, 12| over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben;
165 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet
166 4, 13| zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op
167 4, 13| de weg der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden
168 4, 14| Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner
169 4, 14| gevangenis mijner zonen en dochters, die de eeuwige
170 4, 15| verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal.~
171 4, 16| schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich
172 4, 16| zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van
173 4, 20| kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking
174 4, 21| kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen uit
175 4, 21| verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.~
176 4, 22| eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen
177 4, 23| uitgezonden met treuren en wenen, maar God zal u mij
178 4, 23| wedergeven met blijdschap en vrolijkheid in der eeuwigheid.~
179 4, 24| met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.~
180 4, 25| haast zijn verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.~
181 4, 27| 27 Hebt moed, kinderen, en roept tot God, want die
182 4, 31| kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben
183 4, 33| verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over
184 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen
185 4, 34| waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~
186 4, 35| eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen
187 4, 36| Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van
188 4, 37| het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid
189 5, 1 | het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en
190 5, 1 | en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel,
191 5, 2 | die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband
192 5, 4 | vrede der gerechtigheid en heerlijkheid, lof der Godzaligheid.~
193 5, 5 | Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie
194 5, 5 | en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten;
195 5, 5 | rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld
196 5, 7 | hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd
197 5, 7 | aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen
198 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende
199 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende bomen,
200 5, 9 | heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem
201 6, 2 | zult gij daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk
202 6, 3 | zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden,
203 6, 3 | de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen
204 6, 4 | vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.~
205 6, 5 | zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt,
206 6, 6 | Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
207 6, 7 | werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud
208 6, 7 | zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij
209 6, 7 | maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.~
210 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die
211 6, 8 | versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de
212 6, 9 | onttrekken de priesters het goud en zilver hun goden, en brengen
213 6, 9 | goud en zilver hun goden, en brengen het door voor zichzelf;~
214 6, 10| 10 En geven daarvan ook de hoeren,
215 6, 10| versieren ook de zilveren en gouden en houten goden,
216 6, 10| ook de zilveren en gouden en houten goden, met klederen
217 6, 11| niet bewaren voor roest en mot.~
218 6, 13| 13 En hij heeft een scepter als
219 6, 13| die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen,
220 6, 14| zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf
221 6, 14| zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen,
222 6, 17| 17 En gelijk voor iemand, die
223 6, 17| tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van
224 6, 18| Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor
225 6, 19| 19 En men zegt dat hun harten
226 6, 19| kruipende dieren der aarde; en wanneer zij deze en hun
227 6, 19| aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo
228 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de
229 6, 21| de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, desgelijks
230 6, 23| zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet
231 6, 26| zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij
232 6, 26| zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij
233 6, 27| offeranden verkopen hun priesters en verteren die onnut; desgelijks
234 6, 27| leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch
235 6, 28| offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan
236 6, 28| dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.~
237 6, 29| vrouwen, de zilveren, gouden, en houten goden offer voor
238 6, 30| 30 En de priesters zitten in hun
239 6, 30| hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal
240 6, 30| rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren,
241 6, 30| baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~
242 6, 31| 31 Zij brullen, en roepen voor hun goden, gelijk
243 6, 32| nemen van hun klederen, en kleden daarmee hun vrouwen
244 6, 32| kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.~
245 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand
246 6, 34| iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen
247 6, 37| ontfermen zich niet der weduwe, en doen geen goed aan de wees.~
248 6, 38| houten, sommige vergulde, en sommige verzilverde, en
249 6, 38| en sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die
250 6, 41| mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij het tegendeel
251 6, 43| 43 En wanneer een dezer weggerukt
252 6, 43| acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is
253 6, 45| zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en
254 6, 45| en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets
255 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt
256 6, 47| Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen
257 6, 50| zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn,
258 6, 50| worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk
259 6, 50| werken van mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen
260 6, 52| koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen
261 6, 53| geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht,
262 6, 53| kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.~
263 6, 54| van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen
264 6, 54| priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen
265 6, 56| rovers, kunnen de houten en verzilverde, en vergulde
266 6, 56| de houten en verzilverde, en vergulde goden zichzelf
267 6, 57| rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding
268 6, 57| het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt,
269 6, 57| kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben,
270 6, 57| weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet
271 6, 58| dan die versierde goden; en een houten pilaar in het
272 6, 59| 59 Want de zon, en de maan, en de sterren,
273 6, 59| Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken
274 6, 60| schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in
275 6, 61| 61 En de wolken, als haar door
276 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven
277 6, 62| afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet
278 6, 69| ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde
279 6, 70| Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde
280 6, 70| hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode
281 6, 71| zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben,
282 6, 71| purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook
283 6, 71| opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden
|