Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elkander 1
ellende 1
ellenden 2
en 283
engel 1
enige 1
er 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
283 en
269 de
118 zij
116 van

Het boek Baruch

IntraText - Concordances

en

    Chapter, Verse
1 1, 2 | Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.~ 2 1, 3 | 3 En Baruch las de redenen van 3 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse 4 1, 4 | hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, 5 1, 4 | voor de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; 6 1, 4 | van de zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, 7 1, 4 | voor de oren der oudsten, en voor de oren van het ganse 8 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, 9 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, en baden tot de 10 1, 5 | zij weenden en vastten, en baden tot de Here;~ 11 1, 6 | 6 En zij verzamelden geld, naar 12 1, 7 | 7 En zij zonden het naar Jeruzalem, 13 1, 7 | van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan 14 1, 7 | priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met 15 1, 9 | weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, 16 1, 9 | Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, 17 1, 9 | oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk 18 1, 9 | gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en 19 1, 9 | en het volk van het land, en het naar Babel gebracht 20 1, 10| 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden 21 1, 10| met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en 22 1, 10| brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, 23 1, 10| en zondoffer, en wierook, en bereidt spijsoffer, en offert 24 1, 10| en bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van 25 1, 11| 11 En bidt voor het leven van 26 1, 11| Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, 27 1, 12| Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, 28 1, 12| zal onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de 29 1, 12| nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, 30 1, 12| van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, 31 1, 12| zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden.~ 32 1, 13| Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn 33 1, 13| gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons 34 1, 14| 14 En gij zult dit boek lezen, 35 1, 14| te lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen 36 1, 15| 15 En spreekt aldus: Bij de Here 37 1, 15| gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:~ 38 1, 16| 16 En onze koningen, en onze oversten, 39 1, 16| 16 En onze koningen, en onze oversten, en onze priesters, 40 1, 16| koningen, en onze oversten, en onze priesters, en onze 41 1, 16| oversten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaders;~ 42 1, 16| priesters, en onze profeten, en onze vaders;~ 43 1, 18| 18 En wij zijn hem ongehoorzaam 44 1, 18| hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren 45 1, 19| tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn 46 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de 47 1, 20| zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de 48 1, 20| land dat vloeide van melk en honig, gelijk het op deze 49 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren 50 1, 22| andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen 51 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord 52 2, 1 | over ons gesproken had, en over onze rechters, die 53 2, 1 | die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over 54 2, 1 | en over onze koningen, en over onze oversten, en over 55 2, 1 | en over onze oversten, en over de mannen van Israël 56 2, 1 | over de mannen van Israël en Juda.~ 57 2, 3 | het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn 58 2, 4 | liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken 59 2, 5 | zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons 60 2, 6 | rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen de schaamte 61 2, 8 | 8 En wij hebben het aanschijn 62 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest 63 2, 9 | geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons 64 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, 65 2, 11| geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, 66 2, 11| sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote 67 2, 11| tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met 68 2, 11| wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt u 69 2, 11| kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, 70 2, 14| Verhoor, Here, ons gebed en onze smeking, en trek ons 71 2, 14| ons gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om uwentwil, 72 2, 14| ons hieruit om uwentwil, en geef ons genade voor het 73 2, 15| gij de Here onze God zijt, en dat Israël en zijn geslacht 74 2, 15| God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam 75 2, 16| neder uit uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, 76 2, 16| huis, en gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~ 77 2, 16| en neig, Here, uw oor, en hoor.~ 78 2, 17| 17 Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in het 79 2, 17| de prijs der heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.~ 80 2, 18| is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen 81 2, 18| de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, 82 2, 18| de prijs der heerlijkheid en der gerechtigheid geven.~ 83 2, 19| rechtvaardigheid onzer vaderen en onzer koningen.~ 84 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap over ons gebracht, 85 2, 22| 22 En indien gij de stem des Heren 86 2, 23| dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude 87 2, 23| ophoude de stem der vreugde, en de stem der blijdschap, 88 2, 23| de stem van de bruidegom, en de stem der bruid, en het 89 2, 23| bruidegom, en de stem der bruid, en het gehele land zal woest 90 2, 24| gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen 91 2, 25| voor de hitte des daags en voor de koude des nachts, 92 2, 25| voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware 93 2, 25| zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering.~ 94 2, 25| door honger en door zwaard, en door wegvoering.~ 95 2, 26| boosheid van het huis Israëls, en van het huis van Juda.~ 96 2, 27| naar al uw billijkheid, en naar al uw grote barmhartigheid.~ 97 2, 29| waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen 98 2, 31| land hunner weg voering, en zij zullen erkennen, dat 99 2, 31| ik de Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven, 100 2, 31| zal hun een hart geven, en oren die horen.~ 101 2, 32| land hunner wegvoering, en zullen mijns naams gedenken.~ 102 2, 33| 33 En zij zullen zich bekeren 103 2, 33| van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want 104 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren 105 2, 34| ik hun vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen 106 2, 34| vaderen Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij 107 2, 34| en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, 108 2, 34| zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, 109 2, 34| zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~ 110 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond 111 2, 35| hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot 112 2, 35| zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël 113 3, 1 | ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept 114 3, 2 | 2 Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben 115 3, 3 | gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.~ 116 3, 4 | gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor u 117 3, 5 | maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.~ 118 3, 6 | gij zijt de Here onze God, en wij zullen u loven, Here.~ 119 3, 7 | uw naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze 120 3, 7 | in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen 121 3, 8 | verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een 122 3, 8 | smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering 123 3, 14| weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar 124 3, 14| waar het licht der ogen is, en vrede.~ 125 3, 15| heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers 126 3, 16| de oversten der heidenen, en die heersen over de wilde 127 3, 17| met de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat 128 3, 17| tot een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen 129 3, 17| de mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~ 130 3, 18| die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, 131 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald, 132 3, 19| in het graf nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats 133 3, 20| hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, 134 3, 21| 21 En hebben haar paden niet verstaan, 135 3, 21| haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; 136 3, 23| de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters 137 3, 23| kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere 138 3, 23| Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers der 139 3, 24| groot is het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner 140 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, 141 3, 25| heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.~ 142 3, 26| groot waren zij van lichaam, en ervaren in de krijg.~ 143 3, 29| is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar 144 3, 29| opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~ 145 3, 30| is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en 146 3, 30| en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren 147 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het gaat voort; hij roept 148 3, 33| gaat voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met 149 3, 34| 34 En de sterren lichten in haar 150 3, 34| lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~ 151 3, 35| 35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn 152 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander is tegen hem 153 3, 37| der wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan 154 3, 37| gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem 155 3, 37| Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mede 156 4, 1 | het boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid 157 4, 2 | 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot 158 4, 6 | doch niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd 159 4, 7 | duivelen hebt geofferd, en niet God.~ 160 4, 8 | vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd 161 4, 9 | van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoort toe, 162 4, 10| gevangenis mijner zonen en dochteren, welke de eeuwige 163 4, 11| hen heengezonden met wenen en rouw.~ 164 4, 12| over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; 165 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet 166 4, 13| zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op 167 4, 13| de weg der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden 168 4, 14| Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner 169 4, 14| gevangenis mijner zonen en dochters, die de eeuwige 170 4, 15| verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal.~ 171 4, 16| schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich 172 4, 16| zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van 173 4, 20| kleed des vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking 174 4, 21| kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen uit 175 4, 21| verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.~ 176 4, 22| eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen 177 4, 23| uitgezonden met treuren en wenen, maar God zal u mij 178 4, 23| wedergeven met blijdschap en vrolijkheid in der eeuwigheid.~ 179 4, 24| met grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.~ 180 4, 25| haast zijn verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.~ 181 4, 27| 27 Hebt moed, kinderen, en roept tot God, want die 182 4, 31| kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben 183 4, 33| verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over 184 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen 185 4, 34| waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~ 186 4, 35| eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen 187 4, 36| Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van 188 4, 37| het woord des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid 189 5, 1 | het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en 190 5, 1 | en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, 191 5, 2 | die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband 192 5, 4 | vrede der gerechtigheid en heerlijkheid, lof der Godzaligheid.~ 193 5, 5 | Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie 194 5, 5 | en zet u op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; 195 5, 5 | rond om naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld 196 5, 7 | hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd 197 5, 7 | aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen 198 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende 199 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende bomen, 200 5, 9 | heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem 201 6, 2 | zult gij daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk 202 6, 3 | zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden, 203 6, 3 | de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen 204 6, 4 | vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.~ 205 6, 5 | zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, 206 6, 6 | Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~ 207 6, 7 | werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud 208 6, 7 | zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij 209 6, 7 | maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.~ 210 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die 211 6, 8 | versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de 212 6, 9 | onttrekken de priesters het goud en zilver hun goden, en brengen 213 6, 9 | goud en zilver hun goden, en brengen het door voor zichzelf;~ 214 6, 10| 10 En geven daarvan ook de hoeren, 215 6, 10| versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, 216 6, 10| ook de zilveren en gouden en houten goden, met klederen 217 6, 11| niet bewaren voor roest en mot.~ 218 6, 13| 13 En hij heeft een scepter als 219 6, 13| die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen, 220 6, 14| zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf 221 6, 14| zal zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, 222 6, 17| 17 En gelijk voor iemand, die 223 6, 17| tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van 224 6, 18| Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor 225 6, 19| 19 En men zegt dat hun harten 226 6, 19| kruipende dieren der aarde; en wanneer zij deze en hun 227 6, 19| aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo 228 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de 229 6, 21| de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, desgelijks 230 6, 23| zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet 231 6, 26| zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand ze opricht, zij 232 6, 26| zich niet zullen bewegen; en zo men hen nederlegt, zij 233 6, 27| offeranden verkopen hun priesters en verteren die onnut; desgelijks 234 6, 27| leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch 235 6, 28| offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan 236 6, 28| dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.~ 237 6, 29| vrouwen, de zilveren, gouden, en houten goden offer voor 238 6, 30| 30 En de priesters zitten in hun 239 6, 30| hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal 240 6, 30| rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, 241 6, 30| baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~ 242 6, 31| 31 Zij brullen, en roepen voor hun goden, gelijk 243 6, 32| nemen van hun klederen, en kleden daarmee hun vrouwen 244 6, 32| kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.~ 245 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand 246 6, 34| iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen 247 6, 37| ontfermen zich niet der weduwe, en doen geen goed aan de wees.~ 248 6, 38| houten, sommige vergulde, en sommige verzilverde, en 249 6, 38| en sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die 250 6, 41| mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij het tegendeel 251 6, 43| 43 En wanneer een dezer weggerukt 252 6, 43| acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is 253 6, 45| zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en 254 6, 45| en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets 255 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt 256 6, 47| Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen 257 6, 50| zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn, 258 6, 50| worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk 259 6, 50| werken van mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen 260 6, 52| koning des lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen 261 6, 53| geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, 262 6, 53| kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.~ 263 6, 54| van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen 264 6, 54| priesters wel kunnen ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen 265 6, 56| rovers, kunnen de houten en verzilverde, en vergulde 266 6, 56| de houten en verzilverde, en vergulde goden zichzelf 267 6, 57| rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding 268 6, 57| het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt, 269 6, 57| kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, 270 6, 57| weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet 271 6, 58| dan die versierde goden; en een houten pilaar in het 272 6, 59| 59 Want de zon, en de maan, en de sterren, 273 6, 59| Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken 274 6, 60| schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in 275 6, 61| 61 En de wolken, als haar door 276 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven 277 6, 62| afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet 278 6, 69| ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde 279 6, 70| Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde 280 6, 70| hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode 281 6, 71| zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aan hebben, 282 6, 71| purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook 283 6, 71| opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License