Chapter, Verse
1 1, 10| 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt
2 1, 12| onze ogen ver lichten, en wij zullen leven onder de schaduw
3 1, 13| tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze
4 1, 14| dit boek lezen, hetwelk wij tot u gezonden hebben, om
5 1, 17| 17 Om der zonden wil, die wij voor de Here begaan hebben;~
6 1, 18| 18 En wij zijn hem ongehoorzaam geweest,
7 1, 19| tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen
8 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren
9 2, 3 | 3 Zodat wij eten zouden, de een het
10 2, 5 | gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan
11 2, 5 | de Here onze God, zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.~
12 2, 8 | 8 En wij hebben het aanschijn des
13 2, 10| 10 Maar wij hoorden zijn stem niet,
14 2, 12| 12 Wij hebben gezondigd, wij zijn
15 2, 12| 12 Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest,
16 2, 12| zijn goddeloos geweest, wij heb ben onrecht gedaan,
17 2, 13| toorn van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven
18 2, 19| 19 Want wij storten ons erbarmelijk
19 2, 24| 24 Doch wij hebben uw stem niet gehoord,
20 3, 2 | Here, en wees genadig, want wij hebben voor u gezondigd.~
21 3, 3 | gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.~
22 3, 6 | zijt de Here onze God, en wij zullen u loven, Here.~
23 3, 7 | gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen,
24 3, 7 | naam zouden aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap,
25 3, 7 | onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen
26 3, 8 | 8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap
27 3, 35| geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen
28 4, 4 | 4 Zalig zijn wij Israël, want hetgeen God
|