Chapter, Verse
1 1, 8 | tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in
2 1, 11| de koning van Babel, en om het leven van Balthazar,
3 1, 14| wij tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk
4 1, 17| 17 Om der zonden wil, die wij
5 1, 18| onzes Gods niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen
6 1, 19| God, en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.~
7 1, 20| uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat
8 1, 22| gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren,
9 2, 4 | Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de
10 2, 10| hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen
11 2, 14| smeking, en trek ons hieruit om uwentwil, en geef ons genade
12 2, 21| Here: Neigt uw schouder om de koning van Babylonië
13 2, 22| des Heren niet zult horen, om de koning van Babylonië
14 2, 24| hebben uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië
15 3, 28| hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid wil.~
16 4, 12| tot een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen,
17 4, 22| toegekomen van de heilige; om der barmhartig heid wil,
18 4, 28| gelijk uw gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo
19 4, 28| tienmaal meer naarstigheid om, bekeerd zijnde, hem te
20 4, 36| 36 Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang,
21 5, 2 | 2 Doe om de rok der gerechtigheid,
22 5, 5 | op de hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie
23 6, 1 | 1 OM der zonden wil waarmee gij
24 6, 23| afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering,
25 6, 42| omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen te
26 6, 62| van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren,
|