Chapter, Verse
1 2, 21| blijven zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven heb.~
2 2, 23| 23 Zo zal ik maken, dat uit de steden
3 2, 29| onder de heidenen, waarheen ik hen verstrooien zal.~
4 2, 30| 30 Want ik weet dat zij mij niet zullen
5 2, 31| zij zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben, en
6 2, 31| de Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven,
7 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren
8 2, 34| wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham, en
9 2, 34| zullen daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen,
10 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond
11 2, 35| bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God,
12 2, 35| mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël niet
13 2, 35| verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.~
14 4, 10| 10 Want ik heb gezien de gevangenis
15 4, 11| 11 Want ik heb hen opgevoed met vreugde,
16 4, 11| opgevoed met vreugde, maar ik heb hen heengezonden met
17 4, 12| van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden,
18 4, 17| 17 Maar ik? waarin kan ik ulieden te
19 4, 17| 17 Maar ik? waarin kan ik ulieden te hulp komen?~
20 4, 19| kinderen, gaat heen, doch ik ben verwoest gelaten.~
21 4, 20| 20 Ik heb het kleed des vredes
22 4, 20| mijner smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen
23 4, 22| 22 Want ik heb nu van de eeuwige uw
24 4, 23| 23 Ik heb ulieden uitgezonden
25 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen
26 6, 2 | geslachten toe, maar daarna zal ik ulieden van daar weder uitvoeren
|