Chapter, Verse
1 3, 15| 15 Wie heeft haar plaats gevonden, en wie
2 3, 15| plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?~
3 3, 21| 21 En hebben haar paden niet verstaan, en
4 3, 21| hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.~
5 3, 23| gekend, noch gedacht aan haar paden.~
6 3, 29| hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken
7 3, 29| en heeft haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~
8 3, 30| getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen
9 3, 30| heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren
10 3, 31| 31 Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad
11 3, 31| die haar weg weet, noch haar pad bedenkt.~
12 3, 32| alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar gevonden
13 3, 32| die kent haar; hij heeft haar gevonden door zijn vernuft,
14 3, 34| En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~
15 3, 35| vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.~
16 4, 1 | eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven,
17 4, 1 | zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.~
18 4, 2 | Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting
19 4, 16| de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.~
20 4, 33| zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting.~
21 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte des
22 4, 34| waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~
23 4, 35| 35 Want een vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige,
24 6, 43| die zulks degene die naast haar gezeten is, dat zij des
25 6, 43| gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.~
26 6, 61| 61 En de wolken, als haar door God bevolen is dat
|