Chapter, Verse
1 1, 8 | hij de vaten van het huis des Heren ontvangen had, die
2 1, 11| zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.~
3 1, 13| Here onze God gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap
4 1, 14| gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk voor te lezen,
5 1, 14| feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.~
6 1, 15| maar bij ons is schaamte des aangezichts, gelijk het
7 1, 18| geweest, en hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord,
8 1, 18| wandelen naar de bevelen des Heren, die hij voor ons
9 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren onzes Gods niet gehoord,
10 1, 22| kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.~
11 2, 8 | wij hebben het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat
12 2, 10| te wandelen in de bevelen des Heren, die hij gegeven had
13 2, 22| 22 En indien gij de stem des Heren niet zult horen, om
14 2, 25| uitgeworpen voor de hitte des daags en voor de koude des
15 2, 25| des daags en voor de koude des nachts, en zij zijn gestorven
16 3, 9 | Hoor Israël, de geboden des levens, laat ze ter ore
17 3, 17| Die spotten met de vogelen des hemels, en het zilver tot
18 4, 16| schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet
19 4, 20| 20 Ik heb het kleed des vredes uitgetogen, en heb
20 4, 34| haar wegnemen de menigte des volks waarover zij zich
21 4, 37| het westen door het woord des heiligen, en verheugen zich
22 5, 5 | de opgang, door het woord des heiligen, die zich verheugen
23 6, 12| aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op
24 6, 13| scepter als een mens, die des lands rechter is, en kan
25 6, 43| haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is,
26 6, 52| Want zij kunnen geen koning des lands verwekken, en kunnen
|