Chapter, Verse
1 1, 15| onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des
2 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan,
3 2, 6 | is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaderen
4 2, 10| 10 Maar wij hoorden zijn stem niet,
5 2, 18| 18 Maar de ziel, die grotelijks
6 2, 31| 31 Maar zij zullen tot zichzelf
7 3, 5 | ongerechtigheden onzer vaderen, maar gedenk aan uw hand en aan
8 3, 20| hebben op de aarde gewoond, maar de weg der wetenschap hebben
9 3, 23| onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben
10 3, 32| 32 Maar die alle dingen weet, die
11 4, 1 | onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen
12 4, 11| hen opgevoed met vreugde, maar ik heb hen heengezonden
13 4, 17| 17 Maar ik? waarin kan ik ulieden
14 4, 23| uitgezonden met treuren en wenen, maar God zal u mij wedergeven
15 4, 25| vijand heeft u zeer vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf
16 5, 6 | weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weder tot
17 6, 2 | tot zeven geslachten toe, maar daarna zal ik ulieden van
18 6, 7 | goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en
19 6, 11| 11 Maar zij kunnen zichzelf niet
20 6, 14| rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de
21 6, 26| zich niet zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo
22 6, 38| uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd
23 6, 50| 50 Want dewijl zij maar houten, vergulde en verzilverde
24 6, 50| dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden,
25 6, 54| ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken midden
|