Chapter, Verse
1 3, 17| wen, en hun bezitting is geen einde.~
2 3, 18| zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding hunner werken
3 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, en onmetelijk.~
4 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander is tegen hem te achten.~
5 4, 16| 16 Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude,
6 6, 14| daaraan kent men dat zij geen goden zijn.~
7 6, 18| voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn
8 6, 22| Daaraan zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen
9 6, 24| prijs gekocht, waar nochtans geen geest in is.~
10 6, 28| Ziet dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor
11 6, 37| niet der weduwe, en doen geen goed aan de wees.~
12 6, 41| nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
13 6, 46| hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan
14 6, 49| dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf
15 6, 50| duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken
16 6, 50| van mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen is.~
17 6, 51| zal men dan weten, dat zij geen goden zijn?~
18 6, 52| 52 Want zij kunnen geen koning des lands verwekken,
19 6, 52| lands verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.~
20 6, 53| 53 Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren
21 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen
22 6, 66| 66 Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder
23 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar
24 6, 71| kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken
25 6, 72| rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want hij
|