Chapter, Verse
1 1, 7 | zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia,
2 1, 7 | van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al
3 1, 7 | en aan de priesters, en aan al het volk, dat met hem
4 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden,
5 2, 5 | wij ons verzondigd hebben aan de Here onze God, zodat
6 2, 16| uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor,
7 2, 33| want zij zullen gedenken aan de weg hunner vaderen, die
8 3, 5 | onzer vaderen, maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te
9 3, 5 | maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.~
10 3, 23| niet gekend, noch gedacht aan haar paden.~
11 3, 37| en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan
12 3, 37| aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind
13 4, 2 | Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting
14 4, 3 | 3 Geef aan een ander uw heerlijkheid
15 4, 3 | noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.~
16 5, 1 | uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door
17 5, 7 | vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende; en
18 6, 17| gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen,
19 6, 18| als een der balken, die aan het huis zijn;~
20 6, 20| Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht van de rook,
21 6, 28| maandstondige en kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat zij
22 6, 30| hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden
23 6, 37| weduwe, en doen geen goed aan de wees.~
24 6, 71| dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper
25 6, 71| scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij
|