Chapter, Verse
1 2, 20| over ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door
2 2, 28| knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw
3 4, 7 | heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd,
4 4, 26| heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden
5 5, 6 | opgenomen in heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.~
6 6, 5 | 5 Als gij zult zien dat een schaar
7 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die gaarne
8 6, 10| houten goden, met klederen als mensen.~
9 6, 13| En hij heeft een scepter als een mens, die des lands
10 6, 17| koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid
11 6, 18| zien kunnen; want zij zijn als een der balken, die aan
12 6, 23| zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.~
13 6, 26| zullen oprichten, maar gelijk als voor doden zo zet men hun
14 6, 43| waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband
15 6, 53| onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel
16 6, 54| 54 Want ook, als het vuur valt in het huis
17 6, 54| ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand
18 6, 57| hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen
19 6, 59| de sterren, die blinken als zij uitgezonden worden tot
20 6, 60| 60 Desgelijks de bliksem, als hij schijnt, is licht te
21 6, 61| 61 En de wolken, als haar door God bevolen is
22 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven is afgezonden
23 6, 66| Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als
24 6, 66| als de zon, noch lichten als de maan.~
|