Chapter, Verse
1 2, 11| volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met
2 2, 11| kracht, en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk
3 2, 13| waarheen gij ons verstrooid hebt.~
4 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap over
5 2, 20| gelijk als gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten,
6 2, 24| Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd,
7 2, 26| 26 Gij hebt het huis, waarin uw naam
8 2, 27| 27 Gij hebt met ons gedaan, Here onze
9 2, 28| Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht
10 2, 28| dag als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor
11 3, 7 | 7 Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in
12 3, 8 | waarheen gij ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een
13 3, 12| 12 Gij hebt de fontein der wijsheid
14 4, 6 | omdat gij God vertoornd hebt, zijt gij de vijanden overgegeven.~
15 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt heeft
16 4, 7 | verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd, en niet God.~
17 4, 8 | 8 Gij hebt de eeuwige God vergeten
18 4, 8 | u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd die u
19 4, 21| 21 Hebt moed, kinderen, roept tot
20 4, 27| 27 Hebt moed, kinderen, en roept
21 4, 37| Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; zij
22 6, 1 | wil waarmee gij gezondigd hebt tegen God, zult gij van
|