Chapter, Verse
1 6, 4 | 4 Ziet dan wel voor u, dat ook gij
2 6, 15| 15 Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat
3 6, 18| kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij
4 6, 22| goden zijn, zo vreest hen dan niet.~
5 6, 28| en kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat zij geen goden
6 6, 39| 39 Hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
7 6, 44| leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten?~
8 6, 45| daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat
9 6, 46| geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door
10 6, 49| 49 Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen
11 6, 51| 51 Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden
12 6, 55| noch vijanden, hoe kan men dan achten of aannemen, dat
13 6, 58| hetwelk de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of
14 6, 58| bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en
15 6, 58| in het koninklijk paleis dan die versierde goden.~
16 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn,
17 6, 67| wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende
18 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar dat
19 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige mens beter,
|