Chapter, Verse
1 2, 8 | Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd
2 2, 33| 33 En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid,
3 4, 12| 12 Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe
4 4, 16| en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame
5 4, 31| aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw
6 4, 33| 33 Want gelijk zij zich verheugd heeft over uw val,
7 4, 33| verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw
8 4, 33| over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen
9 4, 34| menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem zal
10 4, 37| des heiligen, en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.~
11 5, 5 | woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner
12 6, 17| gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen,
13 6, 26| zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en
14 6, 26| zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar
15 6, 37| 37 Zij ontfermen zich niet der weduwe, en doen
16 6, 40| 40 Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer
17 6, 48| onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen
|