Chapter, Verse
1 2, 1 | over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over
2 2, 1 | oversten, en over de mannen van Israël en Juda.~
3 2, 11| En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland
4 2, 15| Here onze God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw
5 2, 35| volk; en ik zal mijn volk Israël niet meer verdrijven uit
6 3, 1 | ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in benauwdheid
7 3, 4 | Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed der
8 3, 4 | gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen die voor
9 3, 9 | 9 Hoor Israël, de geboden des levens,
10 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het land der
11 3, 24| 24 O Israël hoe groot is het huis Gods!
12 3, 37| Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind geweest
13 4, 4 | 4 Zalig zijn wij Israël, want hetgeen God behaagt
14 4, 5 | volk, gij gedachtenis van Israël.~
15 5, 7 | gelijkheid der aarde; opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid
16 5, 8 | welriekende bomen, zullen Israël beschaduwen, door Gods bevel.~
17 5, 9 | 9 Want God zal Israël uitvoeren met vreugde door
|