Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 DIT zijn de redenen van het boek, die
2 1, 1 | van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon
3 1, 1 | Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van
4 1, 1 | Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon
5 1, 1 | Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van
6 1, 1 | Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven
7 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende dag der maand, op
8 1, 2 | maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen,
9 1, 3 | 3 En Baruch las de redenen van dit boek voor
10 1, 3 | redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon
11 1, 3 | voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning
12 1, 3 | Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;~
13 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse volk,
14 1, 4 | tot dat boek kwam; en voor de oren der machtigen, en van
15 1, 4 | oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en voor
16 1, 4 | zonen der koningen; en voor de oren der oudsten, en voor
17 1, 4 | oren der oudsten, en voor de oren van het ganse volk,
18 1, 4 | van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, voor
19 1, 4 | volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden
20 1, 4 | woonden in Babylonië bij de rivier Sud.~
21 1, 5 | en vastten, en baden tot de Here;~
22 1, 7 | Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon
23 1, 7 | Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester;
24 1, 7 | Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters,
25 1, 7 | Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al het
26 1, 8 | 8 Wanneer hij de vaten van het huis des Heren
27 1, 8 | Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren;
28 1, 8 | brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand Sivan;
29 1, 8 | der Maand Sivan; namelijk de zilveren vaten, die Zedekia,
30 1, 8 | zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning
31 1, 8 | Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt
32 1, 9 | 9 Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem
33 1, 9 | weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen,
34 1, 9 | Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen,
35 1, 9 | oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van
36 1, 10| offert op het altaar van de Here onze God.~
37 1, 11| leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om
38 1, 11| dagen zijn mogen gelijk de dagen des hemels op de aarde.~
39 1, 11| gelijk de dagen des hemels op de aarde.~
40 1, 12| 12 Zo zal de Here ons sterkte geven,
41 1, 12| en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor,
42 1, 12| schaduw van Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder
43 1, 12| koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn
44 1, 13| 13 Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij
45 1, 13| God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd,
46 1, 14| openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen
47 1, 14| lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.~
48 1, 15| 15 En spreekt aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid,
49 1, 15| gelijk het te dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners
50 1, 15| gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:~
51 1, 17| zonden wil, die wij voor de Here begaan hebben;~
52 1, 18| ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren onzes Gods
53 1, 18| gehoord, om te wandelen naar de bevelen des Heren, die hij
54 1, 19| 19 Van de dag af, op welke de Here
55 1, 19| Van de dag af, op welke de Here onze vaderen uit Egypte
56 1, 19| ongehoorzaam geweest tegen de Here onze God, en zijn snel
57 1, 20| En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking,
58 1, 20| gekleefd de ellenden, en de vervloeking, welke de Here
59 1, 20| en de vervloeking, welke de Here verordineerd had door
60 1, 20| door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze vaderen
61 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren onzes Gods
62 1, 21| Gods niet gehoord, naar al de woorden der profeten, die
63 1, 22| van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos
64 1, 22| offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren onzes Gods.~
65 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord bevestigd,
66 2, 1 | over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda.~
67 2, 2 | niet heeft gedaan onder de ganse hemel, gelijk hij
68 2, 2 | naar dat geschreven is in de wet van Mozes;~
69 2, 3 | 3 Zodat wij eten zouden, de een het vlees van zijn zoon,
70 2, 3 | vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn
71 2, 4 | om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom
72 2, 4 | ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.~
73 2, 5 | ons verzondigd hebben aan de Here onze God, zodat wij
74 2, 6 | 6 Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid,
75 2, 6 | Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid, maar bij
76 2, 6 | bij ons en onze vaderen de schaamte der aangezichten,
77 2, 7 | 7 Al wat de Here over ons gesproken
78 2, 8 | zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen harten.~
79 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest in
80 2, 9 | Here is wakker geweest in de straffen, en de Here heeft
81 2, 9 | geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons
82 2, 9 | over ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in
83 2, 10| niet, om te wandelen in de bevelen des Heren, die hij
84 2, 13| weinigen over gebleven onder de heidenen, waarheen gij ons
85 2, 15| 15 Opdat de ganse aardbodem wete, dat
86 2, 15| aardbodem wete, dat gij de Here onze God zijt, en dat
87 2, 17| open Here, en zie, want de doden in het graf, welker
88 2, 17| ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid
89 2, 17| weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid en
90 2, 18| 18 Maar de ziel, die grotelijks bedroefd
91 2, 18| grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en zwak
92 2, 18| gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de
93 2, 18| de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen
94 2, 18| hongerig is, zullen u, Here, de prijs der heerlijkheid en
95 2, 19| voor uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid onzer vaderen
96 2, 20| gij gesproken hebt door de dienst uwer knechten, de
97 2, 20| de dienst uwer knechten, de profeten zeggende:~
98 2, 21| 21 Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder
99 2, 21| Here: Neigt uw schouder om de koning van Babylonië te
100 2, 22| 22 En indien gij de stem des Heren niet zult
101 2, 22| Heren niet zult horen, om de koning van Babylonië te
102 2, 23| Zo zal ik maken, dat uit de steden van Juda en buiten
103 2, 23| buiten Jeruzalem ophoude de stem der vreugde, en de
104 2, 23| de stem der vreugde, en de stem der blijdschap, de
105 2, 23| de stem der blijdschap, de stem van de bruidegom, en
106 2, 23| blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem der
107 2, 23| stem van de bruidegom, en de stem der bruid, en het gehele
108 2, 24| uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te
109 2, 24| gij gesproken hadt door de dienst uwer knechten, de
110 2, 24| de dienst uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten
111 2, 24| knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen,
112 2, 24| gebeenten onzer koningen, en de gebeenten onzer vaderen
113 2, 25| zij zijn uitgeworpen voor de hitte des daags en voor
114 2, 25| hitte des daags en voor de koude des nachts, en zij
115 2, 26| te dezen dage is, vanwege de boosheid van het huis Israëls,
116 2, 28| gij gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes,
117 2, 28| uw wet te schrijven voor de kinderen Israëls, zeggende:~
118 2, 29| veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen ik hen
119 2, 31| zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik
120 2, 33| zij zullen gedenken aan de weg hunner vaderen, die
121 2, 33| die gezondigd hebben voor de Here.~
122 3, 4 | u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God
123 3, 4 | hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord
124 3, 5 | 5 Gedenk niet de ongerechtigheden onzer vaderen,
125 3, 6 | 6 Want gij zijt de Here onze God, en wij zullen
126 3, 7 | hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden onzer vaderen,
127 3, 8 | schuldvordering naar al de ongerechtigheden onzer vaderen,
128 3, 8 | ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken
129 3, 9 | 9 Hoor Israël, de geboden des levens, laat
130 3, 11| verontreinigd geworden onder de doden, gij zijt gerekend
131 3, 12| 12 Gij hebt de fontein der wijsheid verlaten.~
132 3, 13| 13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld,
133 3, 16| 16 Waar zijn de oversten der heidenen, en
134 3, 16| heidenen, en die heersen over de wilde gedierten, die op
135 3, 17| 17 Die spotten met de vogelen des hemels, en het
136 3, 17| vergaderen, en het goud, waar de mensen op betrou wen, en
137 3, 20| 20 De nakomelingen hebben het
138 3, 20| licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg
139 3, 20| op de aarde gewoond, maar de weg der wetenschap hebben
140 3, 23| 23 De kinderen van Agar doorzoeken
141 3, 23| kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap wel op aarde,
142 3, 23| wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en
143 3, 23| van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere
144 3, 23| onderzoekers der wetenschap, maar de weg der wijsheid hebben
145 3, 24| het huis Gods! en hoe hoog de plaats zijner woning!~
146 3, 26| 26 Daar waren de reuzen, beroemde lieden,
147 3, 26| van lichaam, en ervaren in de krijg.~
148 3, 27| 27 Deze heeft de Here niet verkoren, noch
149 3, 27| niet verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan
150 3, 28| zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben,
151 3, 29| haar gevat, en haar uit de wolken nedergebracht?~
152 3, 30| 30 Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden,
153 3, 32| gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een
154 3, 34| 34 En de sterren lichten in haar
155 3, 37| 37 Hij heeft al de weg der wetenschap gevonden,
156 3, 37| aarde gezien en heeft onder de mensen mede verkeerd.~
157 4, 1 | boek der geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat.
158 4, 6 | 6 Gij zijt de heidenen verkocht, doch
159 4, 6 | vertoornd hebt, zijt gij de vijanden overgegeven.~
160 4, 7 | tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd,
161 4, 8 | 8 Gij hebt de eeuwige God vergeten die
162 4, 9 | 9 Want zij heeft gezien de toorn die van God over u
163 4, 10| 10 Want ik heb gezien de gevangenis mijner zonen
164 4, 10| zonen en dochteren, welke de eeuwige over hen gebracht
165 4, 12| een woestijn geworden, om de zonden mijner kinderen,
166 4, 12| kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;~
167 4, 13| hebben niet gewandeld op de weg der geboden Gods, en
168 4, 13| en zijn niet gegaan op de paden der tuchtiging in
169 4, 14| naburinnen Sions, en gedenkt de gevangenis mijner zonen
170 4, 14| mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft gebracht.~
171 4, 16| geen schaamte gehad voor de oude, en des kinds hebben
172 4, 16| zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar
173 4, 18| heeft, zal u verlossen uit de hand uwer vijanden.~
174 4, 20| vredes uitgetogen, en heb de zak mijner smeking aangedaan,
175 4, 20| smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen in mijn dagen.~
176 4, 21| verlossen uit het geweld, en uit de hand der vijanden.~
177 4, 22| 22 Want ik heb nu van de eeuwige uw verlossing gehoopt,
178 4, 22| is vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig
179 4, 24| 24 Want gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis
180 4, 24| heerlijkheid en glans van de eeuwige.~
181 4, 25| kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over
182 4, 26| als een kudde, die door de vijanden geroofd is.~
183 4, 32| 32 Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen
184 4, 32| gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen
185 4, 34| rondom van haar wegnemen de menigte des volks waarover
186 4, 35| zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang,
187 4, 35| dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond worden,
188 4, 36| Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde
189 4, 36| tegen de opgang, en zie de vreugde die u van God komt.~
190 4, 37| en verheugen zich over de heerlijkheid Gods.~
191 5, 2 | 2 Doe om de rok der gerechtigheid, die
192 5, 2 | gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband der heerlijkheid
193 5, 2 | tulband der heerlijkheid van de eeuwige.~
194 5, 3 | tonen al het volk, dat onder de hemel is.~
195 5, 5 | op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om naar
196 5, 5 | uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot de
197 5, 5 | de ondergang der zon tot de opgang, door het woord des
198 5, 6 | zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God brengt
199 5, 7 | bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd
200 5, 7 | vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende; en alle
201 5, 7 | Israël zeker wandele in de heerlijkheid Gods.~
202 5, 8 | 8 En de bossen, en alle welriekende
203 6, 1 | gij van Nabuchodonosor, de koning der Babyloniërs,
204 6, 3 | zult gij in Babylonië op de schouders zien dragen de
205 6, 3 | de schouders zien dragen de zilveren, en gouden, en
206 6, 3 | gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.~
207 6, 4 | gij niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt
208 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden,
209 6, 8 | en bereiden kronen voor de hoofden van hun goden.~
210 6, 9 | Somwijlen ook onttrekken de priesters het goud en zilver
211 6, 10| 10 En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak
212 6, 10| zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten
213 6, 14| maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet
214 6, 14| zichzelf van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan
215 6, 16| zijn hun ogen vol stof van de voeten dergenen die daarin
216 6, 17| voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen,
217 6, 17| dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn,
218 6, 17| zijn, alzo verzekeren ook de priesters hun tempels met
219 6, 17| grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.~
220 6, 19| harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der aarde;
221 6, 20| geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis komt.~
222 6, 21| en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en
223 6, 21| andere vogels, desgelijks ook de katten.~
224 6, 23| Want indien niet iemand de roest afwist van het goud,
225 6, 25| zijnde, draagt men hen op de schouders, ver tonende zo
226 6, 25| schouders, ver tonende zo de mensen hun oneer.~
227 6, 26| indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf
228 6, 27| het zout, en delen noch de armen, noch de kranken daarvan
229 6, 27| delen noch de armen, noch de kranken daarvan mee.~
230 6, 28| 28 Hun offeranden raken de maandstondige en kraamvrouwen
231 6, 29| goden heten? namelijk omdat de vrouwen, de zilveren, gouden,
232 6, 29| namelijk omdat de vrouwen, de zilveren, gouden, en houten
233 6, 30| 30 En de priesters zitten in hun
234 6, 31| goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.~
235 6, 31| sommigen in de maaltijden over de doden.~
236 6, 35| Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch
237 6, 37| weduwe, en doen geen goed aan de wees.~
238 6, 38| sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die men uit
239 6, 38| stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die
240 6, 40| 40 Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer
241 6, 42| 42 Nu de vrouwen met biezenbanden
242 6, 42| biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen
243 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden
244 6, 45| wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij
245 6, 47| hebben leugens en schande de nakomelingen na gelaten.~
246 6, 48| hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkander,
247 6, 52| verwekken, en kunnen geen regen de mensen geven.~
248 6, 56| noch voor rovers, kunnen de houten en verzilverde, en
249 6, 57| 57 Want de sterken onder hen halen
250 6, 57| het goud en het zilver, en de kleding die hun omhangt,
251 6, 58| nuttig is in huis, hetwelk de bezitter gebruikt, dan die
252 6, 59| 59 Want de zon, en de maan, en de sterren,
253 6, 59| 59 Want de zon, en de maan, en de sterren, die
254 6, 59| Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken als
255 6, 60| 60 Desgelijks de bliksem, als hij schijnt,
256 6, 60| te zien, en zo waait ook de wind in alle landen.~
257 6, 61| 61 En de wolken, als haar door God
258 6, 61| zij zullen drijven over de gehele wereld, volbrengen
259 6, 62| van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren,
260 6, 63| daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen
261 6, 65| 65 Want zij kunnen de koningen vloeken noch zegenen.~
262 6, 66| kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen
263 6, 66| tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen
264 6, 66| kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de
265 6, 66| de zon, noch lichten als de maan.~
266 6, 67| 67 De wilde gedierten zijn beter
267 6, 69| dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom in een hof,
268 6, 71| eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een
269 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige mens beter,
|