Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 En zij weenden en vastten, en baden
2 1, 6 | 6 En zij verzamelden geld, naar dat
3 1, 7 | 7 En zij zonden het naar Jeruzalem,
4 1, 10| 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden
5 2, 5 | 5 Zij zijn ten onder gekomen,
6 2, 25| 25 Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de
7 2, 25| de koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware
8 2, 30| 30 Want ik weet dat zij mij niet zullen horen, dewijl
9 2, 31| 31 Maar zij zullen tot zichzelf inkeren
10 2, 31| land hunner weg voering, en zij zullen erkennen, dat ik
11 2, 32| 32 Zij zullen mij prijzen in het
12 2, 33| 33 En zij zullen zich bekeren van
13 2, 33| van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan de weg
14 2, 34| en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen,
15 2, 34| hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~
16 2, 35| zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn tot een
17 3, 20| weg der wetenschap hebben zij niet gekend.~
18 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord,
19 3, 23| weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht
20 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen
21 3, 26| geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren
22 3, 28| 28 Zij zijn vergaan, omdat zij
23 3, 28| Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad
24 3, 28| wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid
25 3, 35| 35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn
26 3, 35| hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid
27 3, 37| bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft
28 4, 1 | die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar
29 4, 9 | 9 Want zij heeft gezien de toorn die
30 4, 12| mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge
31 4, 16| 16 Want zij hebben geen schaamte gehad
32 4, 16| oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de
33 4, 16| ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.~
34 4, 24| ge zien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing
35 4, 26| scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde,
36 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan
37 4, 33| 33 Want gelijk zij zich verheugd heeft over
38 4, 33| over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar
39 4, 34| menigte des volks waarover zij zich verheugt, en haar roem
40 4, 35| eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond
41 4, 37| hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het
42 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij
43 5, 6 | zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door
44 6, 7 | werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en
45 6, 7 | en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen
46 6, 8 | gaarne versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen
47 6, 10| die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren
48 6, 11| 11 Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren
49 6, 12| 12 Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed,
50 6, 14| verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.~
51 6, 16| 16 Wanneer zij in hun huizen vastgezet
52 6, 17| sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd
53 6, 18| 18 Zij ontsteken hun kaarsen, en
54 6, 18| dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij
55 6, 18| zij geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken,
56 6, 19| dieren der aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten,
57 6, 19| kleding vereten, zo gevoelen zij het niet.~
58 6, 20| 20 Zij zijn zwart geworden aan
59 6, 22| Daaraan zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo vreest
60 6, 23| tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden
61 6, 23| zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als
62 6, 23| voelden het ook niet als zij gegoten werden.~
63 6, 24| 24 Zij zijn voor grote prijs gekocht,
64 6, 26| worden ook beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op
65 6, 26| beschaamd, omdat zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen,
66 6, 26| en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen;
67 6, 26| en zo men hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten,
68 6, 28| aan. Ziet dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest
69 6, 29| 29 Want waarvan zouden zij goden heten? namelijk omdat
70 6, 31| 31 Zij brullen, en roepen voor
71 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand lijden,
72 6, 33| iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden;
73 6, 33| kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen
74 6, 34| 34 Desgelijks kunnen zij ook noch rijkdom geven,
75 6, 34| houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
76 6, 35| 35 Zij zullen een mens van de dood
77 6, 36| 36 Zij zullen een blinde niet weder
78 6, 37| 37 Zij ontfermen zich niet der
79 6, 38| 38 Zij zijn sommige houten, sommige
80 6, 40| Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet
81 6, 40| spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel,~
82 6, 41| ware te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken,
83 6, 41| tegendeel bemerken, zo kunnen zij zulks niet nalaten, want
84 6, 41| zulks niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
85 6, 43| naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht
86 6, 43| waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet
87 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters
88 6, 45| de kunstenaars willen dat zij zijn.~
89 6, 47| 47 Want zij hebben leugens en schande
90 6, 48| priesters onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden
91 6, 50| 50 Want dewijl zij maar houten, vergulde en
92 6, 50| volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen
93 6, 50| zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken
94 6, 51| Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden zijn?~
95 6, 52| 52 Want zij kunnen geen koning des lands
96 6, 53| 53 Zij houden geen gericht onder
97 6, 53| niemand voor onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn
98 6, 53| dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen
99 6, 54| ontvlieden en ontkomen, maar zij zullen als balken midden
100 6, 55| 55 Zij wederstaan noch koning,
101 6, 55| achten of aannemen, dat zij goden zijn?~
102 6, 57| omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen
103 6, 57| weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen;~
104 6, 59| sterren, die blinken als zij uitgezonden worden tot hun
105 6, 61| door God bevolen is dat zij zullen drijven over de gehele
106 6, 63| houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet
107 6, 63| dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen
108 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest
109 6, 65| 65 Want zij kunnen de koningen vloeken
110 6, 66| 66 Zij kunnen ook geen tekenen
111 6, 66| onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als
112 6, 67| gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende
113 6, 68| is het ons openbaar dat zij goden zijn.~
114 6, 69| op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom in
115 6, 71| Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het
116 6, 71| scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot;
117 6, 71| aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk
118 6, 71| worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in
|