Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
val 2
vallen 1
valt 1
van 116
vanwege 3
vastgezet 1
vastten 1
Frequency    [«  »]
283 en
269 de
118 zij
116 van
111 die
99 zijn
92 het

Het boek Baruch

IntraText - Concordances

van

    Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de 2 1, 1 | boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, 3 1, 1 | de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, 4 1, 1 | de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft 5 1, 3 | En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van 6 1, 3 | van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, 7 1, 3 | oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;~ 8 1, 3 | zoon van Jojakim, de koning van Juda;~ 9 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse volk, hetwelk 10 1, 4 | de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en 11 1, 4 | oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen 12 1, 4 | oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten, 13 1, 7 | Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, 14 1, 7 | zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan 15 1, 8 | 8 Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen 16 1, 8 | vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, 17 1, 8 | zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.~ 18 1, 9 | Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, 19 1, 9 | de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel 20 1, 10| en offert op het altaar van de Here onze God.~ 21 1, 11| 11 En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning 22 1, 11| Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van 23 1, 11| van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat 24 1, 12| zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning 25 1, 12| Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en 26 1, 13| toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op 27 1, 15| dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van 28 1, 15| van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:~ 29 1, 19| 19 Van de dag af, op welke de Here 30 1, 20| uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven 31 1, 20| geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het 32 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de 33 1, 22| voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere 34 2, 1 | oversten, en over de mannen van Israël en Juda.~ 35 2, 2 | geschreven is in de wet van Mozes;~ 36 2, 3 | zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het 37 2, 3 | zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.~ 38 2, 8 | ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen 39 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit 40 2, 13| 13 Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn 41 2, 17| in het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen 42 2, 21| uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo 43 2, 22| zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,~ 44 2, 23| maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem 45 2, 23| der blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem 46 2, 23| gehele land zal woest worden van inwoners.~ 47 2, 24| niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom 48 2, 26| is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van 49 2, 26| van het huis Israëls, en van het huis van Juda.~ 50 2, 26| Israëls, en van het huis van Juda.~ 51 2, 28| gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die 52 2, 33| zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van 53 2, 33| van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij 54 3, 1 | ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in 55 3, 4 | Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed 56 3, 4 | het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen 57 3, 4 | gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord 58 3, 8 | ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken 59 3, 13| 13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld, gij 60 3, 21| aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.~ 61 3, 23| 23 De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap 62 3, 23| op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de 63 3, 26| reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest zijn; 64 3, 26| geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de 65 4, 5 | mijn volk, gij gedachtenis van Israël.~ 66 4, 9 | heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en 67 4, 12| over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben 68 4, 12| mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;~ 69 4, 15| over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, 70 4, 15| een onbeschaamd volk, en van een andere taal.~ 71 4, 16| en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.~ 72 4, 22| 22 Want ik heb nu van de eeuwige uw verlossing 73 4, 22| mij is vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig 74 4, 22| ulieden haastig zal komen van onze eeuwige ver losser.~ 75 4, 24| gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien 76 4, 24| grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.~ 77 4, 25| lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want 78 4, 28| uw gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo doet 79 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte 80 4, 35| vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang, 81 4, 36| en zie de vreugde die u van God komt.~ 82 4, 37| komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen 83 5, 1 | JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet 84 5, 1 | kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe 85 5, 2 | tulband der heerlijkheid van de eeuwige.~ 86 5, 5 | zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot 87 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te 88 5, 6 | heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.~ 89 5, 9 | barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.~ 90 6, 1 | hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning 91 6, 2 | maar daarna zal ik ulieden van daar weder uitvoeren met 92 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn 93 6, 8 | bereiden kronen voor de hoofden van hun goden.~ 94 6, 14| bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet 95 6, 15| niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, 96 6, 16| zo zijn hun ogen vol stof van de voeten dergenen die daarin 97 6, 17| sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.~ 98 6, 19| harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der 99 6, 20| geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis 100 6, 23| niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt 101 6, 26| mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; 102 6, 32| 32 Hun priesters nemen van hun klederen, en kleden 103 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, 104 6, 35| 35 Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, 105 6, 35| noch een zwakke bevrijden van een sterke.~ 106 6, 42| op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren.~ 107 6, 43| een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar 108 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden 109 6, 45| daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen 110 6, 49| zijn, die zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad 111 6, 49| zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad kunnen ver lossen?~ 112 6, 50| goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen 113 6, 54| het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en 114 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven is afgezonden om de 115 6, 71| eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen 116 6, 72| heeft, want hij is verre van bespotting.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License