Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de
2 1, 1 | boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia,
3 1, 1 | de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia,
4 1, 1 | de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft
5 1, 3 | En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van
6 1, 3 | van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim,
7 1, 3 | oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda;~
8 1, 3 | zoon van Jojakim, de koning van Juda;~
9 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse volk, hetwelk
10 1, 4 | de oren der machtigen, en van de zonen der koningen; en
11 1, 4 | oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen
12 1, 4 | oren van het ganse volk, van de kleinen tot de groten,
13 1, 7 | Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom,
14 1, 7 | zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan
15 1, 8 | 8 Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen
16 1, 8 | vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda,
17 1, 8 | zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had.~
18 1, 9 | Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had,
19 1, 9 | de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel
20 1, 10| en offert op het altaar van de Here onze God.~
21 1, 11| 11 En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning
22 1, 11| Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van
23 1, 11| van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat
24 1, 12| zullen leven onder de schaduw van Nabuchodo nosor, de koning
25 1, 12| Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en
26 1, 13| toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op
27 1, 15| dezen dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van
28 1, 15| van Juda, en de inwoners van Jeruzalem:~
29 1, 19| 19 Van de dag af, op welke de Here
30 1, 20| uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven
31 1, 20| geven een land dat vloeide van melk en honig, gelijk het
32 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de
33 1, 22| voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere
34 2, 1 | oversten, en over de mannen van Israël en Juda.~
35 2, 2 | geschreven is in de wet van Mozes;~
36 2, 3 | zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het
37 2, 3 | zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.~
38 2, 8 | ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen
39 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, die uw volk uit
40 2, 13| 13 Laat uw toorn van ons keren, want wij zijn
41 2, 17| in het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen
42 2, 21| uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo
43 2, 22| zult horen, om de koning van Babylonië te dienen,~
44 2, 23| maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem
45 2, 23| der blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem
46 2, 23| gehele land zal woest worden van inwoners.~
47 2, 24| niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom
48 2, 26| is, vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van
49 2, 26| van het huis Israëls, en van het huis van Juda.~
50 2, 26| Israëls, en van het huis van Juda.~
51 2, 28| gesproken hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die
52 2, 33| zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van
53 2, 33| van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij
54 3, 1 | ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die in
55 3, 4 | Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het gebed
56 3, 4 | het gebed der gestorvenen van Israël, en der kinderen
57 3, 4 | gezondigd hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord
58 3, 8 | ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken
59 3, 13| 13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld, gij
60 3, 21| aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.~
61 3, 23| 23 De kinderen van Agar doorzoeken de wetenschap
62 3, 23| op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de
63 3, 26| reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest zijn;
64 3, 26| geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de
65 4, 5 | mijn volk, gij gedachtenis van Israël.~
66 4, 9 | heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en
67 4, 12| over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben
68 4, 12| mijner kinderen, overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;~
69 4, 15| over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk,
70 4, 15| een onbeschaamd volk, en van een andere taal.~
71 4, 16| en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.~
72 4, 22| 22 Want ik heb nu van de eeuwige uw verlossing
73 4, 22| mij is vreugde toegekomen van de heilige; om der barmhartig
74 4, 22| ulieden haastig zal komen van onze eeuwige ver losser.~
75 4, 24| gelijk nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien
76 4, 24| grote heerlijkheid en glans van de eeuwige.~
77 4, 25| lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want
78 4, 28| uw gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo doet
79 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte
80 4, 35| vuur zal over haar uitgaan van de eeuwige, vele dagen lang,
81 4, 36| en zie de vreugde die u van God komt.~
82 4, 37| komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen
83 5, 1 | JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet
84 5, 1 | kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe
85 5, 2 | tulband der heerlijkheid van de eeuwige.~
86 5, 5 | zie uw kinderen verzameld van de ondergang der zon tot
87 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te
88 5, 6 | heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.~
89 5, 9 | barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.~
90 6, 1 | hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning
91 6, 2 | maar daarna zal ik ulieden van daar weder uitvoeren met
92 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn
93 6, 8 | bereiden kronen voor de hoofden van hun goden.~
94 6, 14| bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en de rovers niet
95 6, 15| niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken is,
96 6, 16| zo zijn hun ogen vol stof van de voeten dergenen die daarin
97 6, 17| sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden.~
98 6, 19| harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren der
99 6, 20| geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis
100 6, 23| niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt
101 6, 26| mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan;
102 6, 32| 32 Hun priesters nemen van hun klederen, en kleden
103 6, 33| 33 En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed,
104 6, 35| 35 Zij zullen een mens van de dood niet verlossen,
105 6, 35| noch een zwakke bevrijden van een sterke.~
106 6, 42| op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren.~
107 6, 43| een dezer weggerukt zijnde van iemand der genen die daar
108 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden
109 6, 45| daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen
110 6, 49| zijn, die zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad
111 6, 49| zichzelf noch van krijg, noch van ander kwaad kunnen ver lossen?~
112 6, 50| goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen
113 6, 54| het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en
114 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven is afgezonden om de
115 6, 71| eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen
116 6, 72| heeft, want hij is verre van bespotting.~
|