Chapter, Verse
1 1, 1 | de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria,
2 1, 2 | zevende dag der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën
3 1, 4 | tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij
4 1, 8 | des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd
5 1, 8 | tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het
6 1, 8 | namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia,
7 1, 17| 17 Om der zonden wil, die wij voor de Here begaan
8 1, 18| naar de bevelen des Heren, die hij voor ons aangezicht
9 1, 21| de woorden der profeten, die hij tot ons heeft gezonden.~
10 2, 1 | en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en
11 2, 4 | zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een
12 2, 4 | verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder
13 2, 9 | straffen, en de Here heeft die over ons gebracht, want
14 2, 9 | rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft geboden.~
15 2, 10| in de bevelen des Heren, die hij gegeven had voor ons
16 2, 11| Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid
17 2, 14| het aanschijn dergenen, die ons weggevoerd hebben.~
18 2, 18| 18 Maar de ziel, die grotelijks bedroefd is,
19 2, 18| grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen
20 2, 18| zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die
21 2, 18| die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen u, Here,
22 2, 24| gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door
23 2, 28| van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen
24 2, 29| zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen
25 2, 31| een hart geven, en oren die horen.~
26 2, 33| aan de weg hunner vaderen, die gezondigd hebben voor de
27 3, 1 | God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een
28 3, 4 | Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben,
29 3, 4 | voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun
30 3, 7 | ongerechtigheden onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
31 3, 8 | ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken
32 3, 11| zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.~
33 3, 16| oversten der heidenen, en die heersen over de wilde gedierten,
34 3, 16| over de wilde gedierten, die op aarde zijn?~
35 3, 17| 17 Die spotten met de vogelen des
36 3, 18| 18 Want die het zilver bewerken, en
37 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het
38 3, 21| niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen
39 3, 26| reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest
40 3, 31| 31 Daar is niemand die haar weg weet, noch haar
41 3, 32| 32 Maar die alle dingen weet, die kent
42 3, 32| Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar
43 3, 32| gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot
44 3, 32| heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige
45 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het
46 3, 35| met vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.~
47 3, 37| wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht,
48 4, 1 | geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen
49 4, 1 | eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij
50 4, 1 | onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.~
51 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn
52 4, 8 | de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij
53 4, 8 | hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.~
54 4, 9 | zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou,
55 4, 12| verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen
56 4, 14| mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft
57 4, 18| 18 Doch die dit kwaad over u gebracht
58 4, 22| der barmhartig heid wil, die ulieden haastig zal komen
59 4, 24| verlossing door onze God, die u over u komen zal, met
60 4, 25| lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen,
61 4, 26| weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd
62 4, 27| en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft
63 4, 29| 29 Want die dit kwaad over u gebracht
64 4, 30| moed, Jeruzalem, want hij die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~
65 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben,
66 4, 31| kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over
67 4, 32| hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft.~
68 4, 36| opgang, en zie de vreugde die u van God komt.~
69 4, 37| 37 Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen;
70 5, 2 | de rok der gerechtigheid, die u door God gegeven is, en
71 5, 5 | het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner
72 5, 6 | vijanden; maar God brengt die weder tot u in, opgenomen
73 5, 9 | barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.~
74 6, 3 | gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.~
75 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die gaarne versierd is, nemen
76 6, 10| geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij
77 6, 13| een scepter als een mens, die des lands rechter is, en
78 6, 13| lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen
79 6, 13| kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.~
80 6, 16| stof van de voeten dergenen die daarin gaan.~
81 6, 17| 17 En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft
82 6, 17| koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden,
83 6, 18| zijn als een der balken, die aan het huis zijn;~
84 6, 20| aangezicht van de rook, die uit het huis komt.~
85 6, 26| 26 Die hen dienen worden ook beschaamd,
86 6, 27| hun priesters en verteren die onnut; desgelijks ook hun
87 6, 34| een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
88 6, 34| houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
89 6, 36| brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~
90 6, 38| en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt;
91 6, 38| de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd
92 6, 40| zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien,
93 6, 40| wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen
94 6, 43| zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen
95 6, 43| beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar
96 6, 43| verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat
97 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven
98 6, 46| zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?~
99 6, 49| dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg,
100 6, 53| zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.~
101 6, 57| het zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg
102 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst,
103 6, 58| de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook
104 6, 58| ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is,
105 6, 58| bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een
106 6, 58| het koninklijk paleis dan die versierde goden.~
107 6, 59| de maan, en de sterren, die blinken als zij uitgezonden
108 6, 62| bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch in
109 6, 67| gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf
110 6, 70| verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.~
111 6, 72| rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want
|