Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dezelfde 1
dezen 2
dezer 2
die 111
dienen 6
dienst 3
dieren 1
Frequency    [«  »]
269 de
118 zij
116 van
111 die
99 zijn
92 het
73 is

Het boek Baruch

IntraText - Concordances

die

    Chapter, Verse
1 1, 1 | de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, 2 1, 2 | zevende dag der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën 3 1, 4 | tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij 4 1, 8 | des Heren ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd 5 1, 8 | tempel weggevoerd waren; om die weder te brengen in het 6 1, 8 | namelijk de zilveren vaten, die Zedekia, de zoon van Josia, 7 1, 17| 17 Om der zonden wil, die wij voor de Here begaan 8 1, 18| naar de bevelen des Heren, die hij voor ons aangezicht 9 1, 21| de woorden der profeten, die hij tot ons heeft gezonden.~ 10 2, 1 | en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en 11 2, 4 | zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een 12 2, 4 | verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder 13 2, 9 | straffen, en de Here heeft die over ons gebracht, want 14 2, 9 | rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft geboden.~ 15 2, 10| in de bevelen des Heren, die hij gegeven had voor ons 16 2, 11| Here, gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid 17 2, 14| het aanschijn dergenen, die ons weggevoerd hebben.~ 18 2, 18| 18 Maar de ziel, die grotelijks bedroefd is, 19 2, 18| grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen 20 2, 18| zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die 21 2, 18| die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, 22 2, 24| gij uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door 23 2, 28| van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen 24 2, 29| zal waarlijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen 25 2, 31| een hart geven, en oren die horen.~ 26 2, 33| aan de weg hunner vaderen, die gezondigd hebben voor de 27 3, 1 | God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een 28 3, 4 | Israël, en der kinderen die voor u gezondigd hebben, 29 3, 4 | voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here hun 30 3, 7 | ongerechtigheden onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~ 31 3, 8 | ongerechtigheden onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken 32 3, 11| zijt gerekend met degenen, die in het graf zijn.~ 33 3, 16| oversten der heidenen, en die heersen over de wilde gedierten, 34 3, 16| over de wilde gedierten, die op aarde zijn?~ 35 3, 17| 17 Die spotten met de vogelen des 36 3, 18| 18 Want die het zilver bewerken, en 37 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het 38 3, 21| niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen 39 3, 26| reuzen, beroemde lieden, die van den beginne geweest 40 3, 31| 31 Daar is niemand die haar weg weet, noch haar 41 3, 32| 32 Maar die alle dingen weet, die kent 42 3, 32| Maar die alle dingen weet, die kent haar; hij heeft haar 43 3, 32| gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot 44 3, 32| heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige 45 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het 46 3, 35| met vrolijkheid voor hem, die haar ge maakt had.~ 47 3, 37| wetenschap gevonden, en bij heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, 48 4, 1 | geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen 49 4, 1 | eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij 50 4, 1 | onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven.~ 51 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn 52 4, 8 | de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij 53 4, 8 | hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.~ 54 4, 9 | zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, 55 4, 12| verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen 56 4, 14| mijner zonen en dochters, die de eeuwige over hen heeft 57 4, 18| 18 Doch die dit kwaad over u gebracht 58 4, 22| der barmhartig heid wil, die ulieden haastig zal komen 59 4, 24| verlossing door onze God, die u over u komen zal, met 60 4, 25| lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, 61 4, 26| weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd 62 4, 27| en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft 63 4, 29| 29 Want die dit kwaad over u gebracht 64 4, 30| moed, Jeruzalem, want hij die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~ 65 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, 66 4, 31| kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over 67 4, 32| hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft.~ 68 4, 36| opgang, en zie de vreugde die u van God komt.~ 69 4, 37| 37 Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen; 70 5, 2 | de rok der gerechtigheid, die u door God gegeven is, en 71 5, 5 | het woord des heiligen, die zich verheugen dat God hunner 72 5, 6 | vijanden; maar God brengt die weder tot u in, opgenomen 73 5, 9 | barmhartigheid en gerechtigheid, die van hem komt.~ 74 6, 3 | gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen.~ 75 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die gaarne versierd is, nemen 76 6, 10| geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij 77 6, 13| een scepter als een mens, die des lands rechter is, en 78 6, 13| lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen 79 6, 13| kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt.~ 80 6, 16| stof van de voeten dergenen die daarin gaan.~ 81 6, 17| 17 En gelijk voor iemand, die zich aan de koning heeft 82 6, 17| koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, 83 6, 18| zijn als een der balken, die aan het huis zijn;~ 84 6, 20| aangezicht van de rook, die uit het huis komt.~ 85 6, 26| 26 Die hen dienen worden ook beschaamd, 86 6, 27| hun priesters en verteren die onnut; desgelijks ook hun 87 6, 34| een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.~ 88 6, 34| houdt die niet, zo eisen zij die niet.~ 89 6, 36| brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~ 90 6, 38| en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; 91 6, 38| de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd 92 6, 40| zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, 93 6, 40| wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen 94 6, 43| zijnde van iemand der genen die daar voorbijgaat, beslapen 95 6, 43| beslapen wordt, zo verwijt die zulks degene die naast haar 96 6, 43| verwijt die zulks degene die naast haar gezeten is, dat 97 6, 46| 46 En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven 98 6, 46| zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?~ 99 6, 49| dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg, 100 6, 53| zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven.~ 101 6, 57| het zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg 102 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, 103 6, 58| de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook 104 6, 58| ook een deur in het huis die bewaart hetgeen daarin is, 105 6, 58| bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; en een 106 6, 58| het koninklijk paleis dan die versierde goden.~ 107 6, 59| de maan, en de sterren, die blinken als zij uitgezonden 108 6, 62| bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch in 109 6, 67| gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf 110 6, 70| verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.~ 111 6, 72| rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License