Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 DIT zijn de redenen van het boek,
2 1, 11| het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn
3 1, 11| zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des
4 1, 12| de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele
5 1, 13| gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet
6 1, 18| 18 En wij zijn hem ongehoorzaam geweest,
7 1, 19| heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest
8 1, 19| tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem
9 1, 19| en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.~
10 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en
11 1, 20| verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop
12 1, 22| voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden
13 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord bevestigd, dat hij
14 2, 3 | zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees
15 2, 3 | en de ander het vlees van zijn dochter.~
16 2, 4 | overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die
17 2, 4 | alle volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid
18 2, 5 | 5 Zij zijn ten onder gekomen, en niet
19 2, 5 | Here onze God, zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.~
20 2, 9 | Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft
21 2, 10| 10 Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen
22 2, 12| Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij heb
23 2, 13| van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven onder
24 2, 15| God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam genoemd
25 2, 25| 25 Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de hitte
26 2, 25| koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten,
27 2, 35| namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen
28 2, 35| een God, en zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal
29 3, 8 | 8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap
30 3, 8 | Here onze God afgeweken zijn.~
31 3, 11| degenen, die in het graf zijn.~
32 3, 16| 16 Waar zijn de oversten der heidenen,
33 3, 16| gedierten, die op aarde zijn?~
34 3, 18| en daarvoor zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding
35 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf
36 3, 19| nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.~
37 3, 21| aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.~
38 3, 26| van den beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam,
39 3, 28| 28 Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap
40 3, 28| wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid
41 3, 32| heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid
42 3, 34| lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~
43 3, 35| en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen
44 3, 37| heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat
45 4, 4 | 4 Zalig zijn wij Israël, want hetgeen
46 4, 12| overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;~
47 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet gekend, en
48 4, 13| weg der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden
49 4, 13| paden der tuchtiging in zijn gerechtigheid.~
50 4, 25| vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf zien, en gij zult
51 4, 26| 26 Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan;
52 4, 26| scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde,
53 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan
54 4, 32| 32 Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen
55 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn
56 5, 6 | zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de
57 6, 7 | wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver
58 6, 7 | zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet
59 6, 10| hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren
60 6, 12| 12 Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo
61 6, 14| heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl,
62 6, 14| kent men dat zij geen goden zijn.~
63 6, 15| gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~
64 6, 16| in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof
65 6, 16| huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de
66 6, 17| worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de
67 6, 18| geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken, die
68 6, 18| balken, die aan het huis zijn;~
69 6, 20| 20 Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht
70 6, 22| weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.~
71 6, 24| 24 Zij zijn voor grote prijs gekocht,
72 6, 28| daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.~
73 6, 30| afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~
74 6, 38| 38 Zij zijn sommige houten, sommige
75 6, 38| sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die men
76 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden
77 6, 45| kunstenaars willen dat zij zijn.~
78 6, 46| hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?~
79 6, 46| zijn die door hen gemaakt zijn?~
80 6, 49| tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg,
81 6, 50| vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle
82 6, 50| worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk
83 6, 50| worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden,
84 6, 51| weten, dat zij geen goden zijn?~
85 6, 53| onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die
86 6, 53| zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen
87 6, 55| aannemen, dat zij goden zijn?~
88 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst,
89 6, 59| uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam;~
90 6, 62| hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch
91 6, 63| noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn
92 6, 63| zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen
93 6, 64| Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.~
94 6, 67| 67 De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een
95 6, 68| ons openbaar dat zij goden zijn.~
96 6, 69| komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde
97 6, 69| goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom
98 6, 70| 70 Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde,
99 6, 71| bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper
|