Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 8
ziet 4
zij 118
zijn 99
zijnde 4
zijner 2
zijns 1
Frequency    [«  »]
118 zij
116 van
111 die
99 zijn
92 het
73 is
71 in

Het boek Baruch

IntraText - Concordances

zijn

   Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 DIT zijn de redenen van het boek, 2 1, 11| het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn 3 1, 11| zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk de dagen des 4 1, 12| de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele 5 1, 13| gezondigd, en des Heren toorn en zijn gramschap is van ons niet 6 1, 18| 18 En wij zijn hem ongehoorzaam geweest, 7 1, 19| heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest 8 1, 19| tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om zijn stem 9 1, 19| en zijn snel geweest om zijn stem niet te horen.~ 10 1, 20| 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en 11 1, 20| verordineerd had door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop 12 1, 22| voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden 13 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord bevestigd, dat hij 14 2, 3 | zouden, de een het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees 15 2, 3 | en de ander het vlees van zijn dochter.~ 16 2, 4 | overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die 17 2, 4 | alle volken die rondom ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid 18 2, 5 | 5 Zij zijn ten onder gekomen, en niet 19 2, 5 | Here onze God, zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.~ 20 2, 9 | Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij ons heeft 21 2, 10| 10 Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen 22 2, 12| Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij heb 23 2, 13| van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven onder 24 2, 15| God zijt, en dat Israël en zijn geslacht naar uw naam genoemd 25 2, 25| 25 Ziet, zij zijn uitgeworpen voor de hitte 26 2, 25| koude des nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten, 27 2, 35| namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen 28 2, 35| een God, en zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal 29 3, 8 | 8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap 30 3, 8 | Here onze God afgeweken zijn.~ 31 3, 11| degenen, die in het graf zijn.~ 32 3, 16| 16 Waar zijn de oversten der heidenen, 33 3, 16| gedierten, die op aarde zijn?~ 34 3, 18| en daarvoor zorgvuldig zijn, welker geen uitvinding 35 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf 36 3, 19| nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.~ 37 3, 21| aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven.~ 38 3, 26| van den beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam, 39 3, 28| 28 Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap 40 3, 28| wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner onberadenheid 41 3, 32| heeft haar gevonden door zijn vernuft, die de aarde bereid 42 3, 34| lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd.~ 43 3, 35| en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen 44 3, 37| heeft die gegeven aan Jakob zijn knecht, en aan Israël, dat 45 4, 4 | 4 Zalig zijn wij Israël, want hetgeen 46 4, 12| overmits zij van de wet Gods zijn afge weken;~ 47 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet gekend, en 48 4, 13| weg der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden 49 4, 13| paden der tuchtiging in zijn gerechtigheid.~ 50 4, 25| vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf zien, en gij zult 51 4, 26| 26 Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; 52 4, 26| scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, 53 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan 54 4, 32| 32 Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen 55 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn 56 5, 6 | zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de 57 6, 7 | wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver 58 6, 7 | zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet 59 6, 10| hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren 60 6, 12| 12 Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo 61 6, 14| heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, 62 6, 14| kent men dat zij geen goden zijn.~ 63 6, 15| gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~ 64 6, 16| in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof 65 6, 16| huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de 66 6, 17| worden, de zalen rondom bezet zijn, alzo verzekeren ook de 67 6, 18| geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken, die 68 6, 18| balken, die aan het huis zijn;~ 69 6, 20| 20 Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht 70 6, 22| weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet.~ 71 6, 24| 24 Zij zijn voor grote prijs gekocht, 72 6, 28| daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet.~ 73 6, 30| afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~ 74 6, 38| 38 Zij zijn sommige houten, sommige 75 6, 38| sommige verzilverde, en zijn de stenen gelijk, die men 76 6, 45| 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden 77 6, 45| kunstenaars willen dat zij zijn.~ 78 6, 46| hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn?~ 79 6, 46| zijn die door hen gemaakt zijn?~ 80 6, 49| tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van krijg, 81 6, 50| vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle 82 6, 50| worden, dat zij leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk 83 6, 50| worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden, 84 6, 51| weten, dat zij geen goden zijn?~ 85 6, 53| onrecht, dewijl zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die 86 6, 53| zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen 87 6, 55| aannemen, dat zij goden zijn?~ 88 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, 89 6, 59| uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam;~ 90 6, 62| hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch ingestalte, noch 91 6, 63| noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn 92 6, 63| zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen 93 6, 64| Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet.~ 94 6, 67| 67 De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een 95 6, 68| ons openbaar dat zij goden zijn.~ 96 6, 69| komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde 97 6, 69| goden; op dezelfde wijze zijn zij gelijk de doornenboom 98 6, 70| 70 Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, 99 6, 71| bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License