Chapter, Verse
1 1, 1 | DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon
2 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende
3 1, 2 | Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben.~
4 1, 4 | 4 En voor de oren van het ganse volk, hetwelk tot
5 1, 4 | oudsten, en voor de oren van het ganse volk, van de kleinen
6 1, 7 | 7 En zij zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim,
7 1, 7 | de priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem
8 1, 8 | Wanneer hij de vaten van het huis des Heren ontvangen
9 1, 8 | die weder te brengen in het land Juda, op de tiende
10 1, 9 | gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het
11 1, 9 | machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel
12 1, 9 | het volk van het land, en het naar Babel gebracht had.~
13 1, 10| spijsoffer, en offert op het altaar van de Here onze
14 1, 11| 11 En bidt voor het leven van Nabuchodonosor,
15 1, 11| koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn
16 1, 14| u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk
17 1, 15| des aangezichts, gelijk het te dezen dage gaat de mannen
18 1, 20| vaderen uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons
19 1, 20| van melk en honig, gelijk het op deze dag is.~
20 2, 3 | wij eten zouden, de een het vlees van zijn zoon, en
21 2, 3 | van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter.~
22 2, 8 | 8 En wij hebben het aanschijn des Heren niet
23 2, 14| en geef ons genade voor het aanschijn dergenen, die
24 2, 17| en zie, want de doden in het graf, welker geest van hun
25 2, 21| zult gij blijven zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven
26 2, 23| en de stem der bruid, en het gehele land zal woest worden
27 2, 26| 26 Gij hebt het huis, waarin uw naam was
28 2, 26| aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen dage is, vanwege
29 2, 26| vanwege de boosheid van het huis Israëls, en van het
30 2, 26| het huis Israëls, en van het huis van Juda.~
31 2, 30| niet zullen horen, dewijl het een hardnekkig volk is.~
32 2, 31| tot zichzelf inkeren in het land hunner weg voering,
33 2, 32| Zij zullen mij prijzen in het land hunner wegvoering,
34 2, 34| zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen
35 2, 35| niet meer verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven
36 3, 4 | God van Israël, hoor toch het gebed der gestorvenen van
37 3, 10| is er Israël, dat gij in het land der vijanden zijt?~
38 3, 11| gerekend met degenen, die in het graf zijn.~
39 3, 14| een zalig leven is, waar het licht der ogen is, en vrede.~
40 3, 17| de vogelen des hemels, en het zilver tot een schat vergaderen,
41 3, 17| een schat vergaderen, en het goud, waar de mensen op
42 3, 18| 18 Want die het zilver bewerken, en daarvoor
43 3, 19| Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald, en anderen
44 3, 20| 20 De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben
45 3, 24| 24 O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog de
46 3, 33| 33 Die het licht zendt, en het gaat
47 3, 33| Die het licht zendt, en het gaat voort; hij roept het,
48 3, 33| het gaat voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam
49 3, 33| voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met beven.~
50 4, 1 | 1 DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods, en
51 4, 2 | wandel tot verlichting voor het licht derzelve.~
52 4, 20| 20 Ik heb het kleed des vredes uitgetogen,
53 4, 21| hij zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand der
54 4, 31| Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben,
55 4, 37| zij komen verzameld van het oosten tot het westen door
56 4, 37| verzameld van het oosten tot het westen door het woord des
57 4, 37| oosten tot het westen door het woord des heiligen, en verheugen
58 5, 1 | 1 JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en
59 5, 1 | verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods
60 5, 3 | uw heerlijkheid tonen al het volk, dat onder de hemel
61 5, 5 | hoogte, en zie rond om naar het oosten; en zie uw kinderen
62 5, 5 | zon tot de opgang, door het woord des heiligen, die
63 5, 6 | heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk.~
64 5, 9 | uitvoeren met vreugde door het licht zijner heerlijkheid,
65 6, 9 | onttrekken de priesters het goud en zilver hun goden,
66 6, 9 | zilver hun goden, en brengen het door voor zichzelf;~
67 6, 12| hun aangezicht, vanwege het stof des huizes, dat zeer
68 6, 18| een der balken, die aan het huis zijn;~
69 6, 19| vereten, zo gevoelen zij het niet.~
70 6, 20| aangezicht van de rook, die uit het huis komt.~
71 6, 23| iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot
72 6, 23| blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten
73 6, 27| vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen,
74 6, 33| lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen
75 6, 36| een blinde niet weder tot het gezicht brengen, noch een
76 6, 41| dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk ware te verstaan,
77 6, 41| verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen
78 6, 49| men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf
79 6, 50| verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle volken bekend
80 6, 54| 54 Want ook, als het vuur valt in het huis van
81 6, 54| ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde
82 6, 57| hen halen rondom deze af het goud en het zilver, en de
83 6, 57| rondom deze af het goud en het zilver, en de kleding die
84 6, 57| omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf
85 6, 58| goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen
86 6, 58| en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die
87 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven
88 6, 62| 62 En het vuur, als het van boven is afgezonden
89 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden
90 6, 70| een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.~
91 6, 71| zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat
92 6, 71| zullen een spot worden in het land.~
|