Chapter, Verse
1 1, 13| toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot
2 1, 15| aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij
3 1, 15| gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts,
4 1, 20| gelijk het op deze dag is.~
5 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten
6 2, 2 | Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;~
7 2, 6 | 6 Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid, maar
8 2, 7 | gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.~
9 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest in de straffen,
10 2, 9 | ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn
11 2, 17| hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs
12 2, 18| die grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en
13 2, 18| en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, de prijs
14 2, 26| gelijk het te dezen dage is, vanwege de boosheid van
15 2, 29| hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen
16 2, 30| het een hardnekkig volk is.~
17 3, 1 | ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept
18 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het
19 3, 14| 14 Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft
20 3, 14| wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat
21 3, 14| sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt
22 3, 14| leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen
23 3, 14| waar het licht der ogen is, en vrede.~
24 3, 15| plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?~
25 3, 17| betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~
26 3, 18| uitvinding hunner werken is,~
27 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord,
28 3, 24| 24 O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog
29 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen einde,
30 3, 29| 29 Wie is ten hemel opgevaren, en
31 3, 30| 30 Wie is getogen over de zee, en
32 3, 31| 31 Daar is niemand die haar weg weet,
33 3, 33| voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met beven.~
34 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander
35 3, 36| onze God, en geen ander is tegen hem te achten.~
36 3, 37| door hem bemind geweest is. Daarna is zij op aarde
37 3, 37| bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft
38 4, 1 | 1 DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods,
39 4, 1 | Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die
40 4, 3 | niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.~
41 4, 4 | want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~
42 4, 22| verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de
43 4, 25| toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand
44 4, 26| door de vijanden geroofd is.~
45 4, 28| Want gelijk uw gedachte is geweest om van God te ver
46 5, 1 | Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid.~
47 5, 2 | die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband
48 5, 3 | volk, dat onder de hemel is.~
49 6, 6 | 6 Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen
50 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn
51 6, 8 | maagd, die gaarne versierd is, nemen zij goud en bereiden
52 6, 12| huizes, dat zeer veel op hen is.~
53 6, 13| mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen,
54 6, 15| van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn
55 6, 15| mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~
56 6, 24| waar nochtans geen geest in is.~
57 6, 36| noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~
58 6, 43| degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig
59 6, 43| des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat
60 6, 43| en dat haar biesband niet is verbroken.~
61 6, 44| wat onder hen geschiedt is leugen, hoe zal men hen
62 6, 50| dat geen werk Gods in hen is.~
63 6, 58| kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is
64 6, 58| is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter
65 6, 58| die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden;
66 6, 60| bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait
67 6, 61| als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over
68 6, 61| volbrengen hetgeen bevolen is.~
69 6, 62| vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen
70 6, 62| verteren, doet hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch
71 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij
72 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige mens
73 6, 72| afgoden heeft, want hij is verre van bespotting.~
|