Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
insgelijks 1
inwoners 2
inzettingen 1
is 73
israël 17
israëls 2
izaäk 1
Frequency    [«  »]
111 die
99 zijn
92 het
73 is
71 in
65 niet
64 een

Het boek Baruch

IntraText - Concordances

is

   Chapter, Verse
1 1, 13| toorn en zijn gramschap is van ons niet afgewend tot 2 1, 15| aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij 3 1, 15| gerechtigheid, maar bij ons is schaamte des aangezichts, 4 1, 20| gelijk het op deze dag is.~ 5 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten 6 2, 2 | Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes;~ 7 2, 6 | 6 Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid, maar 8 2, 7 | gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.~ 9 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest in de straffen, 10 2, 9 | ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn 11 2, 17| hun ingewanden weggenomen is, zullen de Here de prijs 12 2, 18| die grotelijks bedroefd is, de geest die gebogen en 13 2, 18| en de ziel die hongerig is, zullen u, Here, de prijs 14 2, 26| gelijk het te dezen dage is, vanwege de boosheid van 15 2, 29| hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen 16 2, 30| het een hardnekkig volk is.~ 17 3, 1 | ziel die in benauwdheid is, en een beangste geest roept 18 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het 19 3, 14| 14 Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft 20 3, 14| wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, op dat 21 3, 14| sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt 22 3, 14| leven en een zalig leven is, waar het licht der ogen 23 3, 14| waar het licht der ogen is, en vrede.~ 24 3, 15| plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?~ 25 3, 17| betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~ 26 3, 18| uitvinding hunner werken is,~ 27 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord, 28 3, 24| 24 O Israël hoe groot is het huis Gods! en hoe hoog 29 3, 25| 25 Zij is groot, en heeft geen einde, 30 3, 29| 29 Wie is ten hemel opgevaren, en 31 3, 30| 30 Wie is getogen over de zee, en 32 3, 31| 31 Daar is niemand die haar weg weet, 33 3, 33| voort; hij roept het, en het is hem gehoorzaam met beven.~ 34 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander 35 3, 36| onze God, en geen ander is tegen hem te achten.~ 36 3, 37| door hem bemind geweest is. Daarna is zij op aarde 37 3, 37| bemind geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft 38 4, 1 | 1 DEZE wijsheid is het boek der geboden Gods, 39 4, 1 | Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die 40 4, 3 | niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.~ 41 4, 4 | want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~ 42 4, 22| verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de 43 4, 25| toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand 44 4, 26| door de vijanden geroofd is.~ 45 4, 28| Want gelijk uw gedachte is geweest om van God te ver 46 5, 1 | Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid.~ 47 5, 2 | die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband 48 5, 3 | volk, dat onder de hemel is.~ 49 6, 6 | 6 Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen 50 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn 51 6, 8 | maagd, die gaarne versierd is, nemen zij goud en bereiden 52 6, 12| huizes, dat zeer veel op hen is.~ 53 6, 13| mens, die des lands rechter is, en kan die niet ombrengen, 54 6, 15| van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn 55 6, 15| mens dat gebroken is, onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~ 56 6, 24| waar nochtans geen geest in is.~ 57 6, 36| noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~ 58 6, 43| degene die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig 59 6, 43| des niet waardig ge acht is, gelijk als zij; en dat 60 6, 43| en dat haar biesband niet is verbroken.~ 61 6, 44| wat onder hen geschiedt is leugen, hoe zal men hen 62 6, 50| dat geen werk Gods in hen is.~ 63 6, 58| kloekheid bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is 64 6, 58| is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter 65 6, 58| die bewaart hetgeen daarin is, dan die versierde goden; 66 6, 60| bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait 67 6, 61| als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over 68 6, 61| volbrengen hetgeen bevolen is.~ 69 6, 62| vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen 70 6, 62| verteren, doet hetgeen bevolen is; doch deze zijn die noch 71 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij 72 6, 72| 72 Zo is dan de rechtvaardige mens 73 6, 72| afgoden heeft, want hij is verre van bespotting.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License