Chapter, Verse
1 1, 1 | Chelkia, geschreven heeft in Babylonië.~
2 1, 2 | 2 In het vijfde jaar, de zevende
3 1, 2 | der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën Jeruzalem
4 1, 4 | voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier
5 1, 8 | om die weder te brengen in het land Juda, op de tiende
6 1, 14| tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren openlijk
7 1, 22| van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos
8 2, 2 | naar dat geschreven is in de wet van Mozes;~
9 2, 4 | overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die
10 2, 9 | de Here is wakker geweest in de straffen, en de Here
11 2, 9 | de Here is rechtvaardig in al zijn werken, die hij
12 2, 10| stem niet, om te wandelen in de bevelen des Heren, die
13 2, 17| Here, en zie, want de doden in het graf, welker geest van
14 2, 21| zult gij blijven zitten in het land dat ik uw vaderen
15 2, 25| nachts, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger
16 2, 28| dienst van uw knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen
17 2, 29| groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen,
18 2, 31| zullen tot zichzelf inkeren in het land hunner weg voering,
19 2, 32| 32 Zij zullen mij prijzen in het land hunner wegvoering,
20 2, 34| zal hen doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen
21 3, 1 | van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een beangste
22 3, 3 | 3 Want gij zijt gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan
23 3, 3 | alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen.~
24 3, 7 | hebt gij uw vreze gegeven in onze harten, op dat wij
25 3, 7 | aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap, en
26 3, 8 | 8 Zie, wij zijn heden in onze vreemdelingschap waarheen
27 3, 10| Wat is er Israël, dat gij in het land der vijanden zijt?~
28 3, 11| zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt
29 3, 11| gerekend met degenen, die in het graf zijn.~
30 3, 15| plaats gevonden, en wie is in haar schat kamers ingegaan?~
31 3, 19| 19 Die zijn verdwenen en in het graf nedergedaald, en
32 3, 19| nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.~
33 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord, noch
34 3, 22| Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden.,~
35 3, 26| van lichaam, en ervaren in de krijg.~
36 3, 34| 34 En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn
37 4, 1 | geboden Gods, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen
38 4, 13| de paden der tuchtiging in zijn gerechtigheid.~
39 4, 20| zal tot de eeuwige roepen in mijn dagen.~
40 4, 23| blijdschap en vrolijkheid in der eeuwigheid.~
41 4, 34| verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~
42 5, 1 | heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid.~
43 5, 4 | Want uw naam zal door God in der eeuwigheid genoemd worden,
44 5, 6 | God brengt die weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid
45 5, 6 | weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen
46 5, 7 | alle dalen te vervullen in gelijkheid der aarde; opdat
47 5, 7 | opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid Gods.~
48 6, 2 | 2 In Babylonië gekomen zijnde,
49 6, 3 | 3 Doch nu zult gij in Babylonië op de schouders
50 6, 5 | gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men
51 6, 14| Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een
52 6, 16| 16 Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn,
53 6, 18| hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf,
54 6, 24| waar nochtans geen geest in is.~
55 6, 27| hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch
56 6, 30| 30 En de priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde
57 6, 31| hun goden, gelijk sommigen in de maaltijden over de doden.~
58 6, 36| brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen.~
59 6, 50| mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen is.~
60 6, 54| Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten,
61 6, 58| of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk de bezitter
62 6, 58| versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart hetgeen
63 6, 58| goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan
64 6, 60| en zo waait ook de wind in alle landen.~
65 6, 62| die noch ingestalte, noch in kracht gelijk.~
66 6, 66| kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen
67 6, 67| zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf
68 6, 69| gelijk een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren
69 6, 69| zij gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte
70 6, 70| goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt.~
71 6, 71| zij zullen een spot worden in het land.~
|