Chapter, Verse
1 1, 13| zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag.~
2 1, 18| stem des Heren onzes Gods niet gehoord, om te wandelen
3 1, 19| snel geweest om zijn stem niet te horen.~
4 1, 21| stem des Heren onzes Gods niet gehoord, naar al de woorden
5 2, 2 | liet komen, hoedanige hij niet heeft gedaan onder de ganse
6 2, 5 | zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd
7 2, 5 | God, zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.~
8 2, 8 | het aanschijn des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder
9 2, 10| Maar wij hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen
10 2, 17| heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven.~
11 2, 19| gebed, o Here onze God, niet uit voor uw aangezicht,
12 2, 22| indien gij de stem des Heren niet zult horen, om de koning
13 2, 24| Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de koning van
14 2, 29| 29 Indien gij mijn stem niet zult horen, zo zal waarlijk
15 2, 30| Want ik weet dat zij mij niet zullen horen, dewijl het
16 2, 34| vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen.~
17 2, 35| ik zal mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het
18 3, 4 | stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben
19 3, 5 | 5 Gedenk niet de ongerechtigheden onzer
20 3, 20| der wetenschap hebben zij niet gekend.~
21 3, 21| 21 En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die
22 3, 21| verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen
23 3, 22| 22 Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman
24 3, 23| der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan
25 3, 27| 27 Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun de weg
26 3, 28| omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan
27 4, 3 | een ander uw heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is,
28 4, 6 | heidenen verkocht, doch niet ten verderve; en omdat gij
29 4, 7 | duivelen hebt geofferd, en niet God.~
30 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld
31 4, 13| rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op de weg der
32 4, 13| der geboden Gods, en zijn niet gegaan op de paden der tuchtiging
33 4, 16| des kinds hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame
34 6, 4 | wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden
35 6, 7 | zijn leugenachtig en kunnen niet spreken.~
36 6, 11| Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren voor roest en mot.~
37 6, 13| lands rechter is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem
38 6, 14| van de krijg en de rovers niet verlossen, daaraan kent
39 6, 15| 15 Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van
40 6, 17| opdat zij van de rovers niet geroofd worden.~
41 6, 19| vereten, zo gevoelen zij het niet.~
42 6, 22| zijn, zo vreest hen dan niet.~
43 6, 23| 23 Want indien niet iemand de roest afwist van
44 6, 23| versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden
45 6, 23| en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden.~
46 6, 26| aarde vallen, van zichzelf niet weder opstaan; en zo iemand
47 6, 26| iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men
48 6, 26| hen nederlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar gelijk
49 6, 28| zijn, en vreest voor hen niet.~
50 6, 33| of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een
51 6, 34| belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet.~
52 6, 34| die niet, zo eisen zij die niet.~
53 6, 35| zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke
54 6, 36| 36 Zij zullen een blinde niet weder tot het gezicht brengen,
55 6, 37| 37 Zij ontfermen zich niet der weduwe, en doen geen
56 6, 40| zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen
57 6, 41| bemerken, zo kunnen zij zulks niet nalaten, want zij hebben
58 6, 43| gezeten is, dat zij des niet waardig ge acht is, gelijk
59 6, 43| zij; en dat haar biesband niet is verbroken.~
60 6, 49| 49 Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden
61 6, 57| en zij kunnen zichzelf niet helpen;~
62 6, 63| zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf
63 6, 64| goden zijn, zo vreest hen niet.~
64 6, 66| heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch
65 6, 69| vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook
|