Chapter, Verse
1 1, 6 | verzamelden geld, naar dat een ieders hand vermocht.~
2 1, 20| Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk
3 1, 22| 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan,
4 2, 3 | Zodat wij eten zouden, de een het vlees van zijn zoon,
5 2, 4 | die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting
6 2, 8 | niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben
7 2, 11| met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk deze
8 2, 30| zullen horen, dewijl het een hardnekkig volk is.~
9 2, 31| hun God ben, en ik zal hun een hart geven, en oren die
10 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen,
11 2, 35| dat ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn
12 2, 35| zij zullen mij zijn tot een volk; en ik zal mijn volk
13 3, 1 | Here, gij God van Israël, een ziel die in benauwdheid
14 3, 1 | die in benauwdheid is, en een beangste geest roept tot
15 3, 8 | ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek,
16 3, 8 | hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering
17 3, 8 | en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al
18 3, 11| zijt verouderd geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd
19 3, 14| meteen moogt weten waar een lang leven en een zalig
20 3, 14| weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het
21 3, 17| hemels, en het zilver tot een schat vergaderen, en het
22 3, 32| de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld
23 4, 3 | 3 Geef aan een ander uw heerlijkheid niet,
24 4, 3 | hetgeen u nuttig is, aan een vreemd volk.~
25 4, 12| verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten
26 4, 12| verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de
27 4, 15| heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd
28 4, 15| gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van
29 4, 15| onbeschaamd volk, en van een andere taal.~
30 4, 26| zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden
31 4, 29| heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing.~
32 4, 35| 35 Want een vuur zal over haar uitgaan
33 4, 35| duivelen bewoond worden, een lange tijd.~
34 6, 4 | gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.~
35 6, 5 | 5 Als gij zult zien dat een schaar voor en achter hen
36 6, 8 | 8 En als voor een maagd, die gaarne versierd
37 6, 12| Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men
38 6, 13| 13 En hij heeft een scepter als een mens, die
39 6, 13| hij heeft een scepter als een mens, die des lands rechter
40 6, 14| 14 Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand,
41 6, 14| in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf
42 6, 15| hen dan niet, want gelijk een vat van een mens dat gebroken
43 6, 15| want gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut
44 6, 18| kunnen; want zij zijn als een der balken, die aan het
45 6, 33| niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch af
46 6, 34| geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt die
47 6, 35| 35 Zij zullen een mens van de dood niet verlossen,
48 6, 35| dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een
49 6, 35| een zwakke bevrijden van een sterke.~
50 6, 36| 36 Zij zullen een blinde niet weder tot het
51 6, 36| het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit
52 6, 40| Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken
53 6, 43| 43 En wanneer een dezer weggerukt zijnde van
54 6, 48| Want zo wanneer krijg of een ander kwaad over hen komt,
55 6, 58| 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid
56 6, 58| bewijst, veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis,
57 6, 58| versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart
58 6, 58| die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk
59 6, 67| zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf
60 6, 69| 69 Want gelijk een vogelverschrikker in een
61 6, 69| een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren
62 6, 69| gelijk de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte
63 6, 70| vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het
64 6, 71| de wormen; en zij zullen een spot worden in het land.~
|