Chapter, Verse
1 1, 4 | ganse volk, hetwelk tot dat boek kwam; en voor de oren
2 1, 6 | zij verzamelden geld, naar dat een ieders hand vermocht.~
3 1, 7 | priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden
4 1, 20| om ons te geven een land dat vloeide van melk en honig,
5 2, 1 | heeft zijn woord bevestigd, dat hij over ons gesproken had,
6 2, 2 | 2 Dat hij over ons grote ellende
7 2, 2 | heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet
8 2, 7 | over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen.~
9 2, 8 | des Heren niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd
10 2, 15| de ganse aardbodem wete, dat gij de Here onze God zijt,
11 2, 15| de Here onze God zijt, en dat Israël en zijn geslacht
12 2, 21| blijven zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven heb.~
13 2, 23| 23 Zo zal ik maken, dat uit de steden van Juda en
14 2, 24| uwer knechten, de profeten, dat de gebeenten onzer koningen,
15 2, 30| 30 Want ik weet dat zij mij niet zullen horen,
16 2, 31| en zij zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben,
17 2, 34| doen wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham,
18 2, 35| verbond bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een
19 2, 35| verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.~
20 3, 7 | gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen,
21 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het land der vijanden
22 3, 14| is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar
23 3, 37| zijn knecht, en aan Israël, dat door hem bemind geweest
24 5, 1 | doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid
25 5, 3 | heerlijkheid tonen al het volk, dat onder de hemel is.~
26 5, 5 | heiligen, die zich verheugen dat God hunner weder gedacht
27 6, 4 | 4 Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze
28 6, 5 | 5 Als gij zult zien dat een schaar voor en achter
29 6, 12| vanwege het stof des huizes, dat zeer veel op hen is.~
30 6, 14| verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn.~
31 6, 15| gelijk een vat van een mens dat gebroken is, onnut is, zodanig
32 6, 18| ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf,
33 6, 19| 19 En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd
34 6, 22| 22 Daaraan zult gij weten dat zij geen goden zijn, zo
35 6, 23| roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering,
36 6, 28| kraamvrouwen aan. Ziet dan daaruit dat zij geen goden zijn, en
37 6, 41| 41 Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het
38 6, 43| die naast haar gezeten is, dat zij des niet waardig ge
39 6, 43| acht is, gelijk als zij; en dat haar biesband niet is verbroken.~
40 6, 45| dan de kunstenaars willen dat zij zijn.~
41 6, 49| kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die
42 6, 50| alle volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en alle
43 6, 50| koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar
44 6, 50| werken van mensenhanden, en dat geen werk Gods in hen is.~
45 6, 51| Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden zijn?~
46 6, 55| dan achten of aannemen, dat zij goden zijn?~
47 6, 58| veel beter is, of een vat dat nuttig is in huis, hetwelk
48 6, 61| haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over
49 6, 63| noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij
50 6, 64| 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo
51 6, 68| dan is het ons openbaar dat zij goden zijn.~
52 6, 71| 71 Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan
53 6, 71| het scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot;
54 6, 71| purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf
|