Chapter, Verse
1 1, 13| ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de Here
2 2, 9 | heeft die over ons gebracht, want de Here is rechtvaardig
3 2, 13| uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen over gebleven
4 2, 17| ogen open Here, en zie, want de doden in het graf, welker
5 2, 19| 19 Want wij storten ons erbarmelijk
6 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap
7 2, 30| 30 Want ik weet dat zij mij niet
8 2, 33| en van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan
9 3, 2 | Hoor Here, en wees genadig, want wij hebben voor u gezondigd.~
10 3, 3 | 3 Want gij zijt gezeten in alle
11 3, 6 | 6 Want gij zijt de Here onze God,
12 3, 7 | 7 Want daarom hebt gij uw vreze
13 3, 18| 18 Want die het zilver bewerken,
14 4, 4 | 4 Zalig zijn wij Israël, want hetgeen God behaagt is ons
15 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt
16 4, 9 | 9 Want zij heeft gezien de toorn
17 4, 9 | toe, gij naburinnen Sions, want God heeft groot leed over
18 4, 10| 10 Want ik heb gezien de gevangenis
19 4, 11| 11 Want ik heb hen opgevoed met
20 4, 15| 15 Want hij heeft over hen gebracht
21 4, 16| 16 Want zij hebben geen schaamte
22 4, 22| 22 Want ik heb nu van de eeuwige
23 4, 24| 24 Want gelijk nu de naburinnen
24 4, 25| van God over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd,
25 4, 27| kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht
26 4, 28| 28 Want gelijk uw gedachte is geweest
27 4, 29| 29 Want die dit kwaad over u gebracht
28 4, 30| 30 Heb moed, Jeruzalem, want hij die u genoemd heeft,
29 4, 33| 33 Want gelijk zij zich verheugd
30 4, 35| 35 Want een vuur zal over haar uitgaan
31 5, 3 | 3 Want God zal uw heerlijkheid
32 5, 4 | 4 Want uw naam zal door God in
33 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan,
34 5, 7 | 7 Want God heeft besloten, alle
35 5, 9 | 9 Want God zal Israël uitvoeren
36 6, 6 | 6 Want mijn engel is bij u, en
37 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester
38 6, 15| Zo vreest hen dan niet, want gelijk een vat van een mens
39 6, 18| waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als een der balken,
40 6, 23| 23 Want indien niet iemand de roest
41 6, 29| 29 Want waarvan zouden zij goden
42 6, 41| zij zulks niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
43 6, 47| 47 Want zij hebben leugens en schande
44 6, 48| 48 Want zo wanneer krijg of een
45 6, 50| 50 Want dewijl zij maar houten,
46 6, 52| 52 Want zij kunnen geen koning des
47 6, 54| 54 Want ook, als het vuur valt in
48 6, 57| 57 Want de sterken onder hen halen
49 6, 59| 59 Want de zon, en de maan, en de
50 6, 65| 65 Want zij kunnen de koningen vloeken
51 6, 69| 69 Want gelijk een vogelverschrikker
52 6, 72| die geen afgoden heeft, want hij is verre van bespotting.~
|