Chapter, Verse
1 1, 11| Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen gelijk
2 2, 17| het graf, welker geest van hun ingewanden weggenomen is,
3 2, 24| zouden gebracht worden uit hun plaats.~
4 2, 31| erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik zal hun een
5 2, 31| Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven, en oren
6 2, 33| zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun
7 2, 33| hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen
8 2, 34| wederkeren in het land dat ik hun vaderen Abraham, en Izaäk,
9 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen,
10 2, 35| bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en
11 2, 35| verdrijven uit het land, dat ik hun gegeven heb.~
12 3, 4 | die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben,
13 3, 17| mensen op betrou wen, en hun bezitting is geen einde.~
14 3, 19| nedergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan.~
15 3, 21| hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar
16 3, 27| Here niet verkoren, noch hun de weg der kennis te verstaan
17 4, 25| verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.~
18 6, 7 | 7 Want hun tong is van de werkmeester
19 6, 8 | kronen voor de hoofden van hun goden.~
20 6, 9 | priesters het goud en zilver hun goden, en brengen het door
21 6, 10| ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren
22 6, 12| purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het
23 6, 15| onnut is, zodanig zijn ook hun goden.~
24 6, 16| 16 Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo
25 6, 16| vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten
26 6, 17| verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten
27 6, 18| 18 Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in
28 6, 19| 19 En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd
29 6, 19| en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen
30 6, 20| zijn zwart geworden aan hun aangezicht van de rook,
31 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd
32 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen,
33 6, 25| ver tonende zo de mensen hun oneer.~
34 6, 26| als voor doden zo zet men hun gaven voor.~
35 6, 27| 27 Hun offeranden verkopen hun
36 6, 27| Hun offeranden verkopen hun priesters en verteren die
37 6, 27| die onnut; desgelijks ook hun vrouwen leggen daarvan in
38 6, 28| 28 Hun offeranden raken de maandstondige
39 6, 30| En de priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde
40 6, 30| gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal
41 6, 30| baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt?~
42 6, 31| brullen, en roepen voor hun goden, gelijk sommigen in
43 6, 32| 32 Hun priesters nemen van hun
44 6, 32| Hun priesters nemen van hun klederen, en kleden daarmee
45 6, 32| klederen, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen.~
46 6, 34| noch geld. Indien iemand hun een belofte doet, en houdt
47 6, 48| hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen zullen.~
48 6, 54| verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvlieden
49 6, 57| zilver, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als
50 6, 59| zij uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam;~
51 6, 69| bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde
52 6, 70| 70 Insgelijks ook zijn hun houten, en vergulde, en
|