Chapter, Verse
1 1, 14| 14 En gij zult dit boek lezen, hetwelk
2 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, die uw volk
3 2, 13| onder de heidenen, waarheen gij ons verstrooid hebt.~
4 2, 15| ganse aardbodem wete, dat gij de Here onze God zijt, en
5 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap
6 2, 20| ons gebracht, gelijk als gij gesproken hebt door de dienst
7 2, 21| Babylonië te dienen, zo zult gij blijven zitten in het land
8 2, 22| 22 En indien gij de stem des Heren niet zult
9 2, 24| Babylonië te dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die
10 2, 24| uw woorden bevestigd, die gij gesproken hadt door de dienst
11 2, 26| 26 Gij hebt het huis, waarin uw
12 2, 27| 27 Gij hebt met ons gedaan, Here
13 2, 28| 28 Gelijkerwijs gij gesproken hebt door de dienst
14 2, 28| knecht Mozes, in die dag als gij hem bevolen hebt uw wet
15 2, 29| 29 Indien gij mijn stem niet zult horen,
16 3, 1 | 1 ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel
17 3, 3 | 3 Want gij zijt gezeten in alle eeuwen,
18 3, 4 | 4 Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch
19 3, 6 | 6 Want gij zijt de Here onze God, en
20 3, 7 | 7 Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze
21 3, 8 | vreemdelingschap waarheen gij ons verstrooid hebt, tot
22 3, 9 | ze ter ore ingaan, opdat gij wijsheid moogt weten.~
23 3, 10| 10 Wat is er Israël, dat gij in het land der vijanden
24 3, 11| 11 Gij zijt verouderd geworden
25 3, 11| geworden in een vreemd land, gij zijt verontreinigd geworden
26 3, 11| geworden onder de doden, gij zijt gerekend met degenen,
27 3, 12| 12 Gij hebt de fontein der wijsheid
28 3, 13| 13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld,
29 3, 13| van God hadt gewandeld, gij zoudt eeuwig met vrede gewoond
30 3, 14| waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten waar
31 4, 5 | Zijt goedsmoeds mijn volk, gij gedachtenis van Israël.~
32 4, 6 | 6 Gij zijt de heidenen verkocht,
33 4, 6 | niet ten verderve; en omdat gij God vertoornd hebt, zijt
34 4, 6 | God vertoornd hebt, zijt gij de vijanden overgegeven.~
35 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt heeft
36 4, 7 | heeft tot toorn verwekt, als gij de duivelen hebt geofferd,
37 4, 8 | 8 Gij hebt de eeuwige God vergeten
38 4, 8 | die u geteeld heeft, en gij hebt Jeruzalem bedroefd
39 4, 9 | heeft gezegd: Hoort toe, gij naburinnen Sions, want God
40 4, 14| 14 Komt gij naburinnen Sions, en gedenkt
41 4, 25| 25 Gij kinderen, lijdt geduldig
42 4, 25| heeft u zeer vervolgd, maar gij zult haast zijn verderf
43 4, 25| haast zijn verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.~
44 4, 37| 37 Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden, komen;
45 6, 1 | OM der zonden wil waarmee gij gezondigd hebt tegen God,
46 6, 1 | gezondigd hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor, de koning
47 6, 2 | Babylonië gekomen zijnde, zult gij daar vele jaren en lange
48 6, 3 | 3 Doch nu zult gij in Babylonië op de schouders
49 6, 4 | dan wel voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden
50 6, 5 | 5 Als gij zult zien dat een schaar
51 6, 22| 22 Daaraan zult gij weten dat zij geen goden
|