Chapter, Verse
1 1, 2 | en het met vuur verbrand hebben.~
2 1, 13| Here onze God, want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd,
3 1, 14| hetwelk wij tot u gezonden hebben, om in het huis des Heren
4 1, 17| wij voor de Here begaan hebben;~
5 1, 18| ongehoorzaam geweest, en hebben de stem des Heren onzes
6 1, 21| 21 En wij hebben de stem des Heren onzes
7 2, 1 | rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen,
8 2, 5 | omdat wij ons verzondigd hebben aan de Here onze God, zodat
9 2, 5 | zodat wij zijn stem niet hebben gehoord.~
10 2, 8 | 8 En wij hebben het aanschijn des Heren
11 2, 8 | een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten zijns bozen
12 2, 12| 12 Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos
13 2, 14| dergenen, die ons weggevoerd hebben.~
14 2, 24| 24 Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om
15 2, 33| hunner vaderen, die gezondigd hebben voor de Here.~
16 3, 2 | en wees genadig, want wij hebben voor u gezondigd.~
17 3, 4 | kinderen die voor u gezondigd hebben, die de stem van de Here
18 3, 4 | Here hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze
19 3, 4 | niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd.~
20 3, 7 | vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de
21 3, 7 | vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
22 3, 13| eeuwig met vrede gewoond hebben.~
23 3, 20| 20 De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben
24 3, 20| hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar
25 3, 20| maar de weg der wetenschap hebben zij niet gekend.~
26 3, 21| 21 En hebben haar paden niet verstaan,
27 3, 21| paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun
28 3, 23| maar de weg der wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht
29 3, 28| de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan om hunner
30 3, 35| Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij
31 3, 35| gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid
32 4, 13| 13 En hebben zijn rechten niet gekend,
33 4, 13| rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op de weg
34 4, 16| 16 Want zij hebben geen schaamte gehad voor
35 4, 16| voor de oude, en des kinds hebben zij zich niet ontfermd,
36 4, 16| ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd.~
37 4, 24| Sion uw gevangenis ge zien hebben, zo zullen zij haast zien
38 4, 31| die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben
39 4, 31| hebben, en die zich verheugd hebben over uw val.~
40 4, 32| welke uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad, die uw
41 6, 41| zulks niet nalaten, want zij hebben geen gevoel.~
42 6, 46| zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd,
43 6, 47| 47 Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen
44 6, 57| en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf
45 6, 71| scharlaken en purper dat zij aan hebben, en dat verrot; zij zullen
|