Chapter, Verse
1 2, 11| gij God van Israël, die uw volk uit Egypteland geleid
2 2, 12| Here onze God, tegen al uw inzettingen.~
3 2, 13| 13 Laat uw toorn van ons keren, want
4 2, 15| Israël en zijn geslacht naar uw naam genoemd wordt.~
5 2, 16| 16 Here zie neder uit uw heilig huis, en gedenk aan
6 2, 16| aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~
7 2, 17| 17 Doe uw ogen open Here, en zie,
8 2, 19| onze God, niet uit voor uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid
9 2, 20| 20 Want gij hebt uw toorn en gramschap over
10 2, 21| Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder om de koning van
11 2, 21| zitten in het land dat ik uw vaderen gegeven heb.~
12 2, 24| 24 Doch wij hebben uw stem niet gehoord, om de
13 2, 24| dienen; daarom hebt gij uw woorden bevestigd, die gij
14 2, 26| Gij hebt het huis, waarin uw naam was aangeroepen, gemaakt
15 2, 27| Here onze God, naar al uw billijkheid, en naar al
16 2, 27| billijkheid, en naar al uw grote barmhartigheid.~
17 2, 28| hebt door de dienst van uw knecht Mozes, in die dag
18 2, 28| als gij hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de
19 3, 5 | vaderen, maar gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer
20 3, 5 | gedenk aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.~
21 3, 7 | 7 Want daarom hebt gij uw vreze gegeven in onze harten,
22 3, 7 | onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen, en
23 4, 3 | 3 Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch
24 4, 22| ik heb nu van de eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij
25 4, 24| nu de naburinnen van Sion uw gevangenis ge zien hebben,
26 4, 24| zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God,
27 4, 25| over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd,
28 4, 28| 28 Want gelijk uw gedachte is geweest om van
29 4, 29| een eeuwige vreugde met uw verlossing.~
30 4, 31| zich verheugd hebben over uw val.~
31 4, 32| Onzalig zijn de steden, welke uw kinderen gediend hebben;
32 4, 32| hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft.~
33 4, 33| zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt
34 4, 33| zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich
35 4, 37| 37 Zie, uw kinderen, die gij hebt uitgezonden,
36 5, 1 | JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet
37 5, 1 | kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan
38 5, 2 | God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband der heerlijkheid
39 5, 3 | 3 Want God zal uw heerlijkheid tonen al het
40 5, 4 | 4 Want uw naam zal door God in der
41 5, 5 | naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de
42 6, 5 | gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden,
43 6, 6 | engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
|