Chapter, Verse
1 1, 10| altaar van de Here onze God.~
2 1, 13| voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben tegen de
3 1, 13| hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des Heren
4 1, 15| aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid, maar bij
5 1, 19| geweest tegen de Here onze God, en zijn snel geweest om
6 2, 5 | hebben aan de Here onze God, zodat wij zijn stem niet
7 2, 6 | 6 Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid,
8 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, die uw volk
9 2, 12| onrecht gedaan, Here onze God, tegen al uw inzettingen.~
10 2, 15| wete, dat gij de Here onze God zijt, en dat Israël en zijn
11 2, 19| erbarmelijk gebed, o Here onze God, niet uit voor uw aangezicht,
12 2, 27| met ons gedaan, Here onze God, naar al uw billijkheid,
13 2, 31| erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik zal hun een hart
14 2, 35| ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen mij zijn
15 3, 1 | 1 ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een ziel die
16 3, 4 | 4 Almachtige Here, gij God van Israël, hoor toch het
17 3, 4 | de stem van de Here hun God niet gehoord hebben, daarom
18 3, 6 | Want gij zijt de Here onze God, en wij zullen u loven,
19 3, 8 | vaderen, die van de Here onze God afgeweken zijn.~
20 3, 13| Indien gij op de weg van God hadt gewandeld, gij zoudt
21 3, 36| 36 Deze is onze God, en geen ander is tegen
22 4, 4 | wij Israël, want hetgeen God behaagt is ons kennelijk.~
23 4, 6 | ten verderve; en omdat gij God vertoornd hebt, zijt gij
24 4, 7 | duivelen hebt geofferd, en niet God.~
25 4, 8 | 8 Gij hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft,
26 4, 9 | gezien de toorn die van God over u komen zou, en heeft
27 4, 9 | gij naburinnen Sions, want God heeft groot leed over mij
28 4, 21| moed, kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen
29 4, 23| met treuren en wenen, maar God zal u mij wedergeven met
30 4, 24| uw verlossing door onze God, die u over u komen zal,
31 4, 25| geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want
32 4, 27| kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht
33 4, 28| gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo doet tienmaal
34 4, 36| zie de vreugde die u van God komt.~
35 5, 2 | gerechtigheid, die u door God gegeven is, en zet op uw
36 5, 3 | 3 Want God zal uw heerlijkheid tonen
37 5, 4 | 4 Want uw naam zal door God in der eeuwigheid genoemd
38 5, 5 | die zich verheugen dat God hunner weder gedacht heeft.~
39 5, 6 | weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weder tot u in,
40 5, 7 | 7 Want God heeft besloten, alle hoge
41 5, 9 | 9 Want God zal Israël uitvoeren met
42 6, 1 | gij gezondigd hebt tegen God, zult gij van Nabuchodonosor,
43 6, 61| de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen
|