Chapter, Verse
1 1, 10| zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit
2 1, 14| boek lezen, hetwelk wij tot u gezonden hebben, om in het
3 2, 11| en met hoge arm, en hebt u een naam gemaakt, gelijk
4 2, 18| die hongerig is, zullen u, Here, de prijs der heerlijkheid
5 3, 1 | beangste geest roept tot u.~
6 3, 2 | genadig, want wij hebben voor u gezondigd.~
7 3, 4 | en der kinderen die voor u gezondigd hebben, die de
8 3, 6 | onze God, en wij zullen u loven, Here.~
9 3, 7 | aanroepen, en wij zullen u loven in onze vreemdelingschap,
10 3, 7 | onzer vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
11 4, 2 | 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan;
12 4, 3 | heerlijkheid niet, noch hetgeen u nuttig is, aan een vreemd
13 4, 7 | 7 Want gij hebt hem die u gemaakt heeft tot toorn
14 4, 8 | eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en gij hebt
15 4, 8 | hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft.~
16 4, 9 | de toorn die van God over u komen zou, en heeft gezegd:
17 4, 18| Doch die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen
18 4, 18| over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand uwer
19 4, 21| roept tot God, en hij zal u verlossen uit het geweld,
20 4, 23| treuren en wenen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap
21 4, 24| verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote
22 4, 24| door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid
23 4, 25| toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand
24 4, 25| gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar gij
25 4, 27| tot God, want die dit over u gebracht heeft zal uwer
26 4, 29| Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over
27 4, 29| gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde
28 4, 30| Jeruzalem, want hij die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~
29 4, 30| die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~
30 4, 31| 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben,
31 4, 36| 36 Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang,
32 4, 36| opgang, en zie de vreugde die u van God komt.~
33 5, 1 | aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid gegeven
34 5, 2 | rok der gerechtigheid, die u door God gegeven is, en
35 5, 5 | weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond
36 5, 6 | 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet
37 5, 6 | God brengt die weder tot u in, opgenomen in heerlijkheid
38 6, 4 | 4 Ziet dan wel voor u, dat ook gij niet op enige
39 6, 4 | gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange.~
40 6, 5 | zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Here.~
41 6, 6 | 6 Want mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
|