Chapter, Verse
1 1, 5 | vastten, en baden tot de Here;~
2 1, 10| offert op het altaar van de Here onze God.~
3 1, 12| 12 Zo zal de Here ons sterkte geven, en zal
4 1, 13| Bidt ook voor ons, tot de Here onze God, want wij hebben
5 1, 13| want wij hebben tegen de Here onze God gezondigd, en des
6 1, 15| En spreekt aldus: Bij de Here onze God is gerechtigheid,
7 1, 17| zonden wil, die wij voor de Here begaan hebben;~
8 1, 19| Van de dag af, op welke de Here onze vaderen uit Egypte
9 1, 19| ongehoorzaam geweest tegen de Here onze God, en zijn snel geweest
10 1, 20| de vervloeking, welke de Here verordineerd had door Mozes,
11 2, 1 | 1 EN de Here heeft zijn woord bevestigd,
12 2, 4 | ons zijn, waaronder hen de Here verstrooid heeft.~
13 2, 5 | verzondigd hebben aan de Here onze God, zodat wij zijn
14 2, 6 | 6 Bij de Here onze God is de rechtvaardigheid,
15 2, 7 | 7 Al wat de Here over ons gesproken heeft,
16 2, 9 | 9 En de Here is wakker geweest in de
17 2, 9 | geweest in de straffen, en de Here heeft die over ons gebracht,
18 2, 9 | over ons gebracht, want de Here is rechtvaardig in al zijn
19 2, 11| 11 En nu Here, gij God van Israël, die
20 2, 12| heb ben onrecht gedaan, Here onze God, tegen al uw inzettingen.~
21 2, 14| 14 Verhoor, Here, ons gebed en onze smeking,
22 2, 15| aardbodem wete, dat gij de Here onze God zijt, en dat Israël
23 2, 16| 16 Here zie neder uit uw heilig
24 2, 16| gedenk aan ons, en neig, Here, uw oor, en hoor.~
25 2, 17| 17 Doe uw ogen open Here, en zie, want de doden in
26 2, 17| weggenomen is, zullen de Here de prijs der heerlijkheid
27 2, 18| die hongerig is, zullen u, Here, de prijs der heerlijkheid
28 2, 19| ons erbarmelijk gebed, o Here onze God, niet uit voor
29 2, 21| 21 Alzo spreekt de Here: Neigt uw schouder om de
30 2, 27| Gij hebt met ons gedaan, Here onze God, naar al uw billijkheid,
31 2, 31| zullen erkennen, dat ik de Here hun God ben, en ik zal hun
32 2, 33| gezondigd hebben voor de Here.~
33 3, 1 | 1 ALMACHTIGE Here, gij God van Israël, een
34 3, 2 | 2 Hoor Here, en wees genadig, want wij
35 3, 4 | 4 Almachtige Here, gij God van Israël, hoor
36 3, 4 | hebben, die de stem van de Here hun God niet gehoord hebben,
37 3, 6 | 6 Want gij zijt de Here onze God, en wij zullen
38 3, 6 | en wij zullen u loven, Here.~
39 3, 8 | onzer vaderen, die van de Here onze God afgeweken zijn.~
40 3, 27| 27 Deze heeft de Here niet verkoren, noch hun
41 6, 5 | gedachten: U moet men aanbidden, Here.~
|