Chapter, Verse
1 1, 12| 12 Zo zal de Here ons sterkte geven,
2 1, 12| Here ons sterkte geven, en zal onze ogen ver lichten, en
3 2, 23| 23 Zo zal ik maken, dat uit de steden
4 2, 23| bruid, en het gehele land zal woest worden van inwoners.~
5 2, 29| stem niet zult horen, zo zal waarlijk deze hoop, die
6 2, 29| waarheen ik hen verstrooien zal.~
7 2, 31| Here hun God ben, en ik zal hun een hart geven, en oren
8 2, 34| 34 En ik zal hen doen wederkeren in het
9 2, 34| daarover heersen, en ik zal hen vermenigvuldigen, en
10 2, 35| 35 En ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen,
11 2, 35| bevestigen, namelijk dat ik hun zal zijn tot een God, en zij
12 2, 35| zijn tot een volk; en ik zal mijn volk Israël niet meer
13 3, 30| heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren
14 4, 18| kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand
15 4, 20| mijner smeking aangedaan, ik zal tot de eeuwige roepen in
16 4, 21| kinderen, roept tot God, en hij zal u verlossen uit het geweld,
17 4, 22| wil, die ulieden haastig zal komen van onze eeuwige ver
18 4, 23| treuren en wenen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap
19 4, 24| God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid
20 4, 27| dit over u gebracht heeft zal uwer gedenken.~
21 4, 29| kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige
22 4, 30| hij die u genoemd heeft, zal u vertroosten.~
23 4, 33| heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over
24 4, 34| 34 En ik zal rondom van haar wegnemen
25 4, 34| zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen.~
26 4, 35| 35 Want een vuur zal over haar uitgaan van de
27 4, 35| vele dagen lang, en zij zal door de duivelen bewoond
28 5, 3 | 3 Want God zal uw heerlijkheid tonen al
29 5, 4 | 4 Want uw naam zal door God in der eeuwigheid
30 5, 9 | 9 Want God zal Israël uitvoeren met vreugde
31 6, 2 | geslachten toe, maar daarna zal ik ulieden van daar weder
32 6, 6 | mijn engel is bij u, en hij zal uw zielen onderzoeken.~
33 6, 14| rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de krijg en
34 6, 17| vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen
35 6, 39| 39 Hoe zal men hen dan goden achten
36 6, 44| geschiedt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten
37 6, 50| verzilverde goden zijn, zo zal het daarna alle volken bekend
38 6, 50| leugens zijn; en alle koningen zal duidelijk worden dat zij
39 6, 51| 51 Waaraan zal men dan weten, dat zij geen
|