Chapter, Verse
1 1, 2 | de zevende dag der maand, op die tijd, in welke de Chaldeeën
2 1, 8 | brengen in het land Juda, op de tiende dag der Maand
3 1, 10| bereidt spijsoffer, en offert op het altaar van de Here onze
4 1, 11| gelijk de dagen des hemels op de aarde.~
5 1, 13| van ons niet afgewend tot op deze dag.~
6 1, 14| openlijk voor te lezen, op, de feestdag en op de dagen
7 1, 14| lezen, op, de feestdag en op de dagen des bekwamen tijds.~
8 1, 19| 19 Van de dag af, op welke de Here onze vaderen
9 1, 19| Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam
10 1, 20| door Mozes, zijn knecht, op de dag, waarop hij onze
11 1, 20| melk en honig, gelijk het op deze dag is.~
12 3, 7 | gegeven in onze harten, op dat wij uw naam zouden aanroepen,
13 3, 13| 13 Indien gij op de weg van God hadt gewandeld,
14 3, 14| sterkte is, waar vernuft is, op dat gij meteen moogt weten
15 3, 16| de wilde gedierten, die op aarde zijn?~
16 3, 17| het goud, waar de mensen op betrou wen, en hun bezitting
17 3, 20| licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de
18 3, 23| doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van
19 3, 37| geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder
20 4, 13| en hebben niet gewandeld op de weg der geboden Gods,
21 4, 13| Gods, en zijn niet gegaan op de paden der tuchtiging
22 4, 25| verderf zien, en gij zult op hun halzen treden.~
23 5, 2 | door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband der
24 5, 5 | 5 Sta weder op Jeruzalem, en zet u op de
25 5, 5 | weder op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rond om
26 6, 3 | nu zult gij in Babylonië op de schouders zien dragen
27 6, 4 | voor u, dat ook gij niet op enige wijze de vreemden
28 6, 12| des huizes, dat zeer veel op hen is.~
29 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd
30 6, 21| 21 Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen,
31 6, 25| voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, ver tonende
32 6, 26| zij, indien zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf
33 6, 42| biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van
34 6, 68| 68 Op geen wijze dan is het ons
35 6, 69| vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij
36 6, 69| waar allerlei gevogelte op zit.~
|