Chapter, Verse
1 1, 7 | al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden werd;~
2 1, 8 | weggevoerd waren; om die weder te brengen in het land Juda,
3 1, 9 | Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd
4 1, 12| Nabuchodo nosor, de koning te Babel, en onder de schaduw
5 1, 14| des Heren openlijk voor te lezen, op, de feestdag en
6 1, 15| aangezichts, gelijk het te dezen dage gaat de mannen
7 1, 18| onzes Gods niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen
8 1, 19| geweest om zijn stem niet te horen.~
9 1, 20| land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide
10 1, 22| boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen
11 1, 22| goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen des Heren
12 2, 2 | gelijk hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven
13 2, 4 | overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken,
14 2, 10| hoorden zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen des
15 2, 21| de koning van Babylonië te dienen, zo zult gij blijven
16 2, 22| de koning van Babylonië te dienen,~
17 2, 24| de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt gij
18 2, 26| aangeroepen, gemaakt gelijk het te dezen dage is, vanwege de
19 2, 28| hem bevolen hebt uw wet te schrijven voor de kinderen
20 3, 5 | aan uw hand en aan uw naam te dezer tijd.~
21 3, 27| noch hun de weg der kennis te verstaan gegeven.~
22 3, 36| geen ander is tegen hem te achten.~
23 4, 17| ik? waarin kan ik ulieden te hulp komen?~
24 4, 28| gedachte is geweest om van God te ver dwalen, zo doet tienmaal
25 4, 28| om, bekeerd zijnde, hem te zoeken.~
26 5, 6 | van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden;
27 5, 7 | besloten, alle hoge bergen te vernederen, en de duinen
28 5, 7 | altijd durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid
29 6, 41| alsof het hem mogelijk ware te verstaan, en hoewel zij
30 6, 42| om rookwerk van zemelen te offeren.~
31 6, 48| onder elkander, hoe zij zich te zamen met hun goden verbergen
32 6, 60| als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de
33 6, 62| afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet hetgeen bevolen
34 6, 63| machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen.~
35 6, 63| straf te oefenen noch wel te doen.~
|